CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juli 2019

Weigl: Symfonie nr. 1 in E, op. 5 – Bilder und Geschichten op. 2

Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz o.l.v. Jürgen Bruns
Capriccio C5365 • 61' •
Opname: okt. 2018, Philharmonie, Ludwigshafen (D)

* * *

Weigl: Pianoconcert voor de linkerhand in Es – Vioolconcert in D

Florian Krumpöck (piano), David Frühwirth (viool), Norddeutsche Philharmonie Rostock o.l.v Manfred Hermann Lehner (pianoconcert) & Florian Krumpöck (vioolconcert)
Capriccio C5232 • 71' •
Opname: maart 2013, Volkstheater, Rostock (D)

   

Ich habe Dr. Weigl immer als einen der besten Komponisten dieser alten Generation betrachtet; einer derer, die die glanzvolle Wiener Tradition weiterführen. Er bewahrt zweiffellos die alte Haltung jenes musikalischen Geistes, welcher einen der besten Teile der Wiener Kultur darstellt.
Arnold Schönberg

Arnold Schönberg schreef deze lovende woorden onder bittere omstandigheden. Karl Weigl zag zich in 1938 door zijn joodse afkomst gedwongen om zijn leven elders voort te zetten en kon een aanbevelend schrijven goed gebruiken. Weigl vestigde zich met vrouw en zoon in de Verenigde Staten, waar hij doceerde in Boston en Philadelphia, en kans zag om zijn vijfde en zesde symfonie en zijn drie laatste strijkkwartetten te schrijven voor hij in 1949 in New York overleed. Zijn vrouw Valerie (Vally), die eveneens componeerde, heeft hem tot 1982 overleefd.

Karl Weigl werd in 1881 geboren in Wenen, en volgde als jongen privélessen bij Alexander von Zemlinsky, een vriend van de familie. Hij studeerde aan de Weense Universiteit bij Robert Fuchs en werkte na de dood van zijn vader van 1904 tot 1906 onder Gustav Mahler als korrepetitor aan de Weense Hofoper. Daarna waagde hij de stap om zich als componist zelfstandig te vestigen, geholpen door vroege successen met zijn Derde Strijkkwartet, opus 4 (Beethoven Preis 1910) en de Eerste Symfonie opus 5 (1908). Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed hij wegens bijziendheid bureaudienst, en in 1918 werd hij leraar aan het Neue Wiener Konservatorium. In 1928 volgde hij Hans Gál op als Lektor aan de Weense Universiteit. Weigl was een succesvol componist, die kon rekenen op de steun van beroemde dirigenten als Wilhelm Furtwängler, George Szell, Bruno Walter en violist Arnold Rosé van het befaamde Rosé Quartett. Hij was bevriend met Arnold Schönberg en Anton Webern en nam deel aan de oprichting van de Vereinigung schaffenden Tonkünstler. Zijn componeren draagt daarvan geen spoor – Weigl heeft zijn leven lang vastgehouden aan de verworvenheden van de laatromantiek. Zijn muzikale horizon reikte niet verder dan Max Reger en stopte bij Gustav Mahler.

Van bovengenoemde beide laatste symfonieën zijn opnamen verschenen op het label BIS, maar het heeft er alle schijn van dat we op deze recent verschenen uitgave op het label Capriccio te maken hebben met de discografische première van de Eerste symfonie, hoewel de hoestekst er geen melding van maakt. De wereldpremière van het werk werd gegeven door het Tonhalle-Orchester in Zürich o.l.v. Volkmar Andreae, op 28 mei 1910. Een half jaar later klonk ze voor het eerst in Duitsland (München), en de Oostenrijkse première vond plaats op 4 maart 1911. Tot 1932 werd het werk in verschillende Europese landen gespeeld, dikwijls onder leiding van de componist, maar in 1932 viel het doek. Het is een verbazingwekkend knap werkstuk voor een eersteling (Weigl was zevenentwintig) en zoals eerder opgemerkt doet de componist geen moeite om aansluiting te zoeken bij zijn generatiegenoten Zemlinsky en Schönberg. In het eerste deel is de invloed van Reger onmiskenbaar, het tweede deel, een Scherzo, is langer dan de beide omringende delen en dat heeft een remmende werking. De kwaliteit van de instrumentatie doet in niets onder voor die van Reger, en de totale indruk maakt nieuwsgierig naar de volgende drie symfonieën die Weigl in zijn Weense jaren schreef. Bilder und Geschichten is ondanks het lage opusnummer 2 een later werk: het is de orkestratie van een pianosuite uit 1909, die Weigl in 1922 bewerkte voor kamerorkest. Ook hier springt de kleurrijke orkestratie in het oog, in zes deeltjes met sprookjestitels die niet beschrijvend maar sfeertekenend uitgewerkt zijn.

De andere cd verscheen al in 2015, en bevat eveneens twee discografische nieuwigheden. Het Pianoconcert voor de linkerhand uit 1924 was een opdrachtwerk van de eenarmige pianist Paul Wittgenstein, die in de Eerste Wereldoorlog zijn rechterarm verloor. Wittgenstein was een telg uit een schatrijke familie – de filosoof Ludwig Wittgenstein was zijn jongere broer – en kon het zich permitteren om voor persoonlijk gebruik concerten te bestellen bij de grote componerende namen van zijn tijd. Het zegt genoeg over de reputatie van Weigl dat hij zich mag voegen in het illustere gezelschap van Richard Strauss, Ravel, Prokofjev, Hindemith, Britten, Korngold, en Franz Schmidt. Het merendeel van die werken werd overigens door Wittgenstein nooit gespeeld, en aangezien ze onder embargo verschenen bleven ze ongebruikt liggen. Zo ook het concert van Weigl, dat pas in 2002 in Wenen voor het eerst werd voorgesteld door de solist van deze opname, Florian Krumpöck. Een soortgelijk lot onderging het Vioolconcert, waarvan de première in 1930 tevens de dernière was, waarna het tot 2009 zou duren tot het werk opnieuw tot leven werd gewekt. In het elegische langzame deel van het Vioolconcert is de verwantschap met dat van het vioolconcert van Reger onmiskenbaar.

Had de bijna tien jaar oudere Arnold Schönberg gelijk toen hij Weigl ‘einen der besten Komponisten dieser alten Generation‘ noemde of was hij hem, zoals de Britten dat zo fijntjes zeggen, damning with faint praise?

Dank zij de inspanningen van het label Capriccio, de voortreffelijke uitvoeringen en uitstekende opnamen, en de kwaliteit van met name de eerste symfonie hoeven we ons dat even niet af te vragen. Karl Weigl verdient het ten volle dat zijn werk op zijn minst een discografische tweede kans krijgt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links