CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, februari 2019

 

Sjostakovitsj: Cellosonate in d, op. 40 – Moderato voor cello en piano

Prokofjev: Ballade in C, op. 15 – Adagio uit Cinderella op. 97

Kabalevski: Cellosonate in Bes, op. 71 – Rondo in Memory of Prokofjev op. 79

Steven Isserlis (cello), Olli Mustonen (piano)
Hyperion CDA68239 • 77' •
Opname: maart 2018, Potton Hall, Suffolk (VK)

 

De in Londen woonachtige meestercellist Steven Isserlis (1958) stamt uit een joodse familie die zijn wortels in Rusland heeft – Isserlis is een verbastering van Israël. Grootvader Julius mocht van de Sovjets het land in 1922 verlaten om de jonge Russische revolutionaire cultuur te propageren en piekerde niet over terugkeer. Isserlis mag terugkijken op een prachtige carrière, met een indrukwekkende discografische nalatenschap voor het label RCA, waarvoor hij alle standaardwerken voor zijn instrument heeft opgenomen. Hij is alweer jaren aan zijn tweede jeugd bezig voor het Britse label Hyperion, met een breed repertoire, van barok tot hedendaags.

Dat er zo doublures ontstaan met de oudere opnamen ligt voor de hand, maar dat ze zo ver gaan dat zelfs de muzikale partner opnieuw wordt gekozen mag verrassend heten. Isserlis laat zich graag inspireren door zijn muzikale vrienden, en hier is Olli Mustonen degeen met wie hij eerder, in 1996, een opname maakte van de Cellosonates van Sjostakovitsj en Prokofjev. Destijds was Janácek de derde componist (Pohadka), nu werd gekozen voor Kabalevski, een logische vervanging. Van Prokofjev koos Isserlis dit keer niet de sonate, maar de Ballade, een vroeg werk uit 1912. Zo ontstond een portret van drie Sovjet componisten die elkaar goed kenden, al waren ze niet altijd even dikke vrienden. Sjostakovitsj heeft van de apparatsjiks het meest te verduren gekregen, met grote gevolgen voor de ondoorgrondelijke wegen van zijn componeren. Kabalevski bleef redelijk gespaard en heeft in zijn muzikale onwikkeling altijd vastgehouden aan de principes waarvoor hij al jong koos: eclatante virtuositeit in een toegankelijk idioom. Om die reden waren zijn concertwerken geliefd bij grote namen in de toenmalige scene. Het derde deel van zijn cellosonate, een adembenemend perpetuum mobile, verschaft het perfecte voorbeeld.

Als extra's krijgen we een kort Adagio van Sjostakovitsj uit de jaren dertig, dat in 1986 werd herontdekt. Prokofjev maakte een transcriptie van het Adagio uit zijn ballet Assepoester, één van de hoogtepunten uit zijn oeuvre, waarin – laten we het niet vergeten – de balletmuziek een kolossale rol speelt: Prokofjev is voor veel muziekliefhebbers de laatste grote populaire Russische componist. Het sluitstuk is een homage aan Prokofjev door Kabalevski in de form van een rondo ‘ter herinnering aan Prokofjev'. Isserlis merkt in zijn uitgebreide zelfgeschreven toelichting op dat hij geen directe citaten heeft kunnen ontdekken, maar het is evident dat Kabalevski de partituren van Prokofjev uitstekend kende – stijlbloempjes te over.

Zoals we gewend zijn van Isserlis zowel als Mustonen wordt hier op het scherp van de snede muziek gemaakt. De virtuositeit die beiden etaleren is adembenemend, maar nooit een doel in zichzelf: al luisterend blijf je geboeid door wat de componisten ons te vertellen hebben. Zo wordt zelfs Kabalevski's Rondo ter nagedachtenis aan Prokofjev een meesterwerk waarbij je de adem inhoudt. Grote Kunst.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links