CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juli 2014

 

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 14 op. 135

Gal James (sopraan), Alexander Vinogradov (bariton), Royal Liverpool Philharmonic Orchestra o.l.v. Vasily Petrenko

Naxos 8.573132 50'

Opname: mei 2013, Liverpool Philharmonic Hall

 

Het is een futiele bezigheid, maar wie het niet kan laten om de drie grote Russische componisten van de voorbije eeuw te vergelijken, krijgt het warm. Vanzelfsprekend loopt vorst Igor voorop met de Sacre du Printemps. Stravinsky schreef evenwel geen echte symfonieën, en is de afgelopen decennia op de concertpodia rechts ingehaald door Dmitri Sjostakovitsj. En wat te denken van Serge Prokofjev, die zijn collega's met gemak voorbijstreeft in populariteit, met zijn Klassieke Symfonie, Peter en de Wolf, Romeo en Julia, en concerten voor viool en piano. Wanneer we ons beperken tot de symfonieën komt Sjostakovitsj echter als onbetwiste winnaar uit de ring, niet zozeer door het aantal (15), maar doodgewoon door het aantal uitvoeringen, zowel in de concertzaal als op geluidsdrager. Statistisch gezien is de Vijfde van Sjostakovitsj heel wat geliefder dan Stravinsky's Psalmensymfonie of Prokofjevs Vijfde. Wie de moeite neemt om die drie werken eens achter elkaar te beluisteren blijft waarschijnlijk na afloop nog even doodstil zitten.

Sjostakovitsj was een geboren symfonicus, niet zozeer door de hoeveelheid, maar veelmeer door de ongehoorde diversiteit van zijn symfonische concepten. Van zijn twintigste tot zijn vijfenzestigste hield hij zich met het medium bezig, en iedere keer moest het totaal anders. Wie Sjostakovitsj ervan beschuldigt na zijn vierde symfonie een veel minder 'modern' geluid te hanteren, moet toch echt even luisteren naar de Viertiende symfonie (of naar de Michelangelo Liederen, naar eigen zeggen de Zestiende). Hoe dan ook, de ontwikkeling van de Eerste naar de Vijftiende blijft dirigenten, orkesten, publiek en zalenbazen fascineren. Met als gevolg de ene na de andere Sjostakovitsj-cyclus op geluidsdragers. De laatste loot aan de stam wordt veroorzaakt door de uiterst succesvolle chefdirigent van het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra, Vasily Petrenko. Ik heb zijn integrale niet op de voet gevolgd, maar wel zijn opname van de Vierde hier lovend besproken.

De Veertiende is een wonderlijke symfonie, voor een strijkorkest van slechts negentien spelers, vier slagwerkers en twee vocalisten, een sopraan en een bas. Sjostakovitsj schreef de partituur in het ziekenhuis, binnen een paar weken, alsof de dood hem op de hielen zat. In een brief aan zijn vriend Isaac Glikman lezen we: 'Ik schreef heel snel. Ik was bang dat me iets zou overkomen, bijvoorbeeld dat mijn rechterhand het helemaal zou opgeven, of dat ik plotseling blind zou worden of zoiets. Die gedachten kwelden me behoorlijk.' Zo'n geestesgesteldheid speelde uiteraard ook een rol in de keuze van de teksten, die vooral gaan over de vergankelijkheid van het leven. Ze stammen ook nog eens van dichters die jong gestorven zijn: Lorca, Apollinaire, Wilhelm Kuchelbecker and Rilke. Sjostakovitsj droeg de partituur op aan Benjamin Britten, die de eerste uitvoering in het 'westen' dirigeerde. De wereldpremière werd in Moskou verzorgd door Rudolf Barshai en zijn Kamerorkest. Wonderlijk genoeg is de discografische geschiedenis van de Veertiende niet tot de nok gevuld met legendarische momenten, maar er zijn twee Russen die memorabele opnamen hebben nagelaten: voornoemde Barshai en Kyrill Kondrashin. Bernard Haitink heeft zich zelf buiten de competitie geplaatst door te kiezen voor een uitvoering in meerdere talen met het echtpaar Fischer-Dieskau / Julia Varady, een praktijk die door de componist als alternatief werd geboden, maar geen navolging heeft gevonden.

De Veertiende is niet alleen een moeilijk werk om te doorgronden, het is ook een hondsmoeilijke partituur voor de negentien strijkers. Hoge liggingen en kamermuzikale stemvoeringen maken het tot een werk waarin elke oneffenheid onbarmhartig wordt blootgelegd. Dat is goed te merken aan de hierboven genoemde Russische opnamen, die het in de eerste plaats moeten hebben van de kwaliteit van de vocalisten. Kondrashin heeft het grote geluk dat hij de sopraan Evgenia Tselovalnik en de legendarische bas Evgeni Nestorenko tot zijn beschikking had. Zij zorgen voor het perfecte idioom en zetten hun partij op onvergetelijke wijze neer. De beschikbaarheid van deze opname blijft echter een probleem.

Vasily Petrenko heeft het voordeel van een voortreffelijk spelend strijkorkest - koren en orkesten zijn in de breedte de afgelopen halve eeuw steeds beter gaan zingen en spelen, en dat merk je aan de prestaties van deze musici uit Liverpool. De sopraansoliste is geen Russin, maar een Israelische, en dat heeft het voordeel dat de kelige klank en het soms aanzienlijke vibrato van Russische sopranen ons hier bespaard blijven. De bas is een onvervalste Rus, maar hij houdt rekening met zijn partner, en samen kleuren ze deze partituur op een moderne en voor eenentwintigste-eeuwse oren aangename wijze in. Dat Petrenko de demonische gedrevenheid van Kondrashin mist is hem moeilijk aan te rekenen, maar dat hij de ietwat pedante Barshai moeileloos voorbijstreeft is eveneens een feit. De opname in de sympathieke concertzaal van het orkest is een plezier om naar te luisteren - ondanks de morbide klankwereld die een bepaald niet vrolijke Sjostakovitsj hier geschapen heeft.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links