CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, januari 2010

 

 

Sjostakovitsj/Barshai: Strijkkwartet nr. 3 in F, op. 73 (bewerking voor strijkorkest met houtblazers)- nr. 4 in D, op. 83 (bewerking voor strijkorkest met blazers, slagwerk en celesta).

Tapiola Sinfonietta o.l.v. Jean-Jacques Kantorow.

BIS CD 1180 • 57' •

 

 


Sjostakowitsj dankt zijn huidige populariteit aan een handvol symfonieën waarvan de bekendste, de vijfde en de achtste, niet eens tot zijn allerbeste werken behoren. Dat kan niet gezegd worden van een groot aantal van zijn strijkkwartetten, zeker niet van de nummers drie, vier, acht en tien. Rudolf Barshai, vriend van de componist en violist en concertmeester/dirigent heeft dat al vroeg ingezien. Hij kent het werk van Dmitri als zijn broekzak en maakte zeer idiomatische transcripties voor strijkorkest van de kwartetten 8 en 10, waarvoor hij een nieuwe titel bedacht: Kamersymfonie. Vooral die van nummer acht, op. 110a, is inmiddels niet meer weg te denken van de lessenaars van ieder zichzelf respecterend strijkorkest. Barshai’s transcripties zijn niet veel meer dan een uitbreiding van het aantal strijkinstrumenten en de toevoeging van een octaverende contrabas aan de cellopartij. Wanneer die contrabas speelt of zwijgt is een van de belangrijkere beslissingen. De afwisseling tussen het solistische kwartet en het voledige strijkorkest is gebaseerd op de eeuwenoude principes van het concerto grosso.

Rudolf Barshai heeft deze beide strijkkwartetten (nr. 3 en 4) onder handen genomen, maar ditmaal is hij anders te werk gegaan: dit zijn orkestraties, geen transcripties. Het vierde kwartet is gezet voor enkelvoudige houtblazers, twee hoorns, trompet, slagwerk en celesta. Het werd geschreven in 1949, maar pas na de dood van Stalin uitgevoerd, in 1953. Volkomen begrijpelijk, want de citaten uit de joodse volksmuziek die Sjostakowitsj in het laatste deel verwerkt waren onder Stalins dictatuur anathema. Het derde kwartet uit 1946 is verwant aan de speelse muzikale wereld van de geniale negende symfonie. Hier heeft Barshai genoeg aan fluit, hobo, althobo, klarinet, fagot en strijkorkest. Het resultaat is fabelachtig: in één klap zijn twee meesterwerken aan de literatuur voor kamerorkest toegevoegd. Het knappe is dat de originele versie en de bewerking noot voor noot hetzelfde is, maar toch van verschillende planeten lijken te komen. De vraag naar de legitimiteit van dit soort bewerkingen blijft de gemoederen bezighouden, vooral wanneer ze niet door de componist zelf zijn gemaakt. In het geval van Sjostakovitsj is die vraag gemakkelijk te beantwoorden: hij had er zelf geen zin in, maar vond het prima wanneer een ander het deed. Getuige de vele Danssuites en Jazz-suites die door derden uit zijn filmmuziek werden samengesteld. Een veel belangrijker argument is dat bezoekers van orkestconcerten nu eindelijk op een geheel legitieme wijze kennis kunnen nemen van meesterlijke muziek waar ze anders nooit of te nimmer vrijwillig op zouden zijn afgekomen.

Jean-Jacques Kantorow is geboren in Frankrijk maar is van joods-russische afkomst. Hij maakte naam als vioolvirtuoos, was jarenlang concertmeester, in Nederland van het Nederlands Kamerorkest. Via dat concertmeesterschap kwam hij net als Barshai tot dirigeren, en inmiddels is hij al enige decennia actief als vioolsolist zowel als dirigent. Zo onderhoudt hij al sinds 1993 nauwe banden met het Finse kamerorkest Tapiola Sinfonietta. Finland en Rusland zijn buren, maar geen vrienden in politieke zin; de achterdocht die Dmitri Sjostakovitsj koesterde tegen de machthebbers van zijn land zal voor de Finnen vanzelfsprekend zijn. Hoe dan ook, dirigent en orkest maken van deze partituren een diepdoorvoelde belevenis. Rudolf Barshai is inmiddels de tachtig ruim gepasseerd. Laten we hopen dat hij ons zal blijven verrassen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links