CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, september 2020

Schumann: Symfonie nr. 1 in Bes, op. 38 – Symfonie nr. 4 in d, op. 120 (eerste versie)

Gürzenich-Orchester Köln o.l.v. François-Xavier Roth

Myrios MYR028 • 55' • (sacd)
Live-opname: 16-18 dec. 2018 (nr. 4), 16-18 juni 2019 (nr. 1), Philharmonie, Keulen

   

‘Schumann hat sehr genau gearbeitet. Er befand sich beim komponieren oft in einem unglaublichen Enthusiasmus und konnte in kürzester Zeit die längsten Werke entwerfen, aber dem ging eine lange und ganz genaue Denkarbeit voraus.'
Heinz Holliger, 23 maart 2013, interview

Het onomstotelijke bewijs van bovengenoemde uitspraak leverde Robert Schumann in januari 1841, toen hij in slechts vier (!) dagen zijn eerste symfonie in een ruwe schets neerschreef. Een paar weken later, eind februari, was de partituur kant en klaar. Schumann had zich laten inspireren door een gedicht van Adolf Böttger, met name de tekstregels

'O wende, wende deinen lauf,
Im Thale blüht der Frühling auf'

Wanneer we deze tekst ritmisch uitspreken komen we precies uit op het motto waarmee de symfonie opent. Zelf schreef Schumann daarover:

‘Gleich den ersten Trompeteneinsatz, möcht' ich, dass er wie aus der höhe klänge, wie ein Ruf zum erwachen.'

Juist bij die inzet ging het op de eerste repetitie, door het Gewandhausorkest onder Felix Mendelssohn, al direct mis. Schumann begon zijn thema op de hoofdtoon, de D. De twee volgende tonen, de Cis en de B, konden destijds alleen met kunst en vliegwerk op de trompet worden gerealiseerd en klonken dus geknepen. Niet bepaald de klank die Schumann voor ogen had. Mendelssohn stelde dan ook voor om het thema een terts hoger te spelen, beginnend met een Fis. Een oplossing die door Schumann in dank werd aanvaard, maar die menigeen – inclusief de componist – later aan het twijfelen bracht. Zo was de Nederlandse componist Johannes Verhulst, een van de velen die Schumanns originele versie aanhield – later zouden Gustav Mahler, en in onze tijd Heinz Holliger, hem daarin volgen. François-Xavier Roth houdt het in deze opname op Mendelssohns revisie. Hoe dan ook, de symfonie was een doorslaand succes, en is de muziekgeschiedenis ingegaan als de Frühlingssinfonie.

Het succes bleef niet zonder gevolgen, in rap tempo componeerde Schumann een symfonisch torso dat bekend werd als Ouverture, Scherzo und Finale, gevolgd door een eerste aanzet van het pianoconcert. Op 13 september van hetzelfde jaar geeft hij Clara op haar verjaardag een tweede symfonie cadeau, een vierdelig werk in d mineur. Ze wordt nog datzelfde jaar, op 6 december, voor het eerst gespeeld, weer in Leizig, op een concert waar Clara en Franz Liszt de grote publiekstrekkers zijn – samen spelen ze het bloedvirtuoze Hexameron voor twee piano's van Liszt (en vrienden). Een werk dat in alles de tegenhanger is van datgene waar Robert Schumann voor staat. Zijn vierde wordt nauwelijks opgemerkt, verdwijnt in de onderste bureaulade en blijft daar de komende tien jaar liggen. Pas wanneer Robert een positie als muziekdirecteur van de stad Düsseldorff verworven heeft besluit hij om het stof van zijn symfonie in d te blazen, haar totaal om te werken en te presenteren als zijn Vierde Symfonie, opus 120.

Maar niet iedereen was blij met de nieuwe versie, al was het aanvankelijk alleen Johannes Brahms die beide versies goed genoeg kende om een oordeel te kunnen uitspreken. Hij schrijft aan Clara: ‘Jeder, der sie sieht, ist meiner Meinung, dass die Partitur durch die Umarbeitung nicht gewonnen hat; an Anmut, leichtigkeit, Klarheit gewiss verloren.' En later, in een brief aan de dirigent van de Keulse Gürzenich-Konzerte, Frans Wüllner: ‘Dass Schumann es später so schwer behängt hat, dazu mag ihn das schlechte Düsseldorfer Orchester verführt haben, aber alle seine schöne, freie und anmutige Bewegung ist in dem schwerfälligen Kleid unmöglich geworden'. De afgelopen decennia hebben laten zien dat de mening van Brahms steeds vaker wordt gedeeld door een nieuwe generatie dirigenten, waaronder John Eliot Gardiner, Michael Schönwandt (met de Hilversumse Radio Kamer Filharmonie), Heinz Holliger en nu dus ook François-Xavier Roth.

Roth (Parijs, 1971) is de zoon van organist Daniel Roth en heeft zich in korte tijd omhooggewerkt tot de wereldtop – zowel de Berliner als New York staan in zijn agenda. Bovendien heeft hij het aangedurfd om een eigen orkest te stichten, Les Siècles, een ensemble dat op tijdeigen instrumenten ook het twintigste-eeuwse repertoire (Sacre, Daphnis) onder handen neemt. Wie dezer dagen de seizoensopening van het Concertgebouworkest online heeft gevolgd, heeft hem aan het werk kunnen zien in de Eroica van Beethoven. Een optreden waarin hij de verworvenheden van zijn Siècles kon delen met het moderne instrumentarium van het KCO. Wat hij daar duidelijk maakte vinden we ook terug op deze live-opname van de beide Schumann symfonieën. Een goudeerlijke benadering van de partituur, een frisse tegenzin in vals sentiment, een glasheldere frasering, natuurlijke tempi en een ongebreideld enthousiasme. De bizarre omstandigheden waaronder hij in Amsterdam moest werken speelden in Keulen gelukkig (nog) niet. Daar kon hij rekenen op een orkest dat net zijn aanstelling weer met enige jaren had verlengd, en een opnameteam dat in alle opzichten met hem meedacht. Een apart compliment verdienen de voorbeeldige toelichting van Martina Seeber en de verzorgde vormgeving door labelchef annex opnameleider Stephan Cahen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links