CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, april 2018

 

Schubert: Werken voor piano vierhandig - V

Schubert: Six grandes Marches et Trios, D819 – Rondo in D, D608

Jan Vermeulen en Veerle Peeters (piano)

Et'cetera KTC 1505 • 72' •

Opname: juli 2017, Willebringen (België)

   

In het Belgische gehucht Willebringen staat een boerderij vol piano's. Van daaruit opereert het duo Jan Vermeulen en Veerle Peeters, dat hiermee de vijfde aflevering bereikt van zijn integrale opname van de werken die Schubert schreef voor de combinatie van vier handen op één klavier. Een gouden formule die de jonggestorven componist geen stuiver heeft opgebracht en de muziekwereld een schat aan geniale werken heeft nagelaten. Vanuit die zolder in Willebringen maken Jan Vermeulen en Veerle Peters ons deelgenoot van deze rijkdom, en het eerste dat daarbij opvalt is de weldadige ambiance van de opname. Dat zoiets gerealiseerd kan worden op de zolder van een boerenschuur zonder akoestische hulpmiddelen is miraculeus. De originele Tröndlin piano waarop het duo speelt voelt zich hier kennelijk heel erg thuis. Op de achtergrond van het instrument ben ik in vorige besprekingen uitvoerig ingegaan.

Schubert schreef met de eerste van de Trois Marches Militaires uit 1822 een werk dat hem onsterfelijk gemaakt heeft – het aantal arrangementen moet in de duizenden lopen. In de Six Grandes Marches et Trios uit 1824 houdt hij zich voor de laatste maal bezig met dit genre, dat hij (zonder Militaires) erfde van Mozart en Beethoven. De toevoeging Grandes koos hij niet voor niets: waar zijn voorgangers in dit genre genoeg hadden aan enkele minuten, laat Schubert zijn fantasie de vrije loop en componeert een cyclus die een uur in beslag neemt. Hoogtepunt in het geheel is de vijfde mars, een treurmars die met een lengte van twintig minuten symfonische proporties aanneemt. Frans Liszt kon het dan ook niet laten om er een bewerking voor piano en orkest van te maken – in navolging van de Wandererfantasie.

De zes Grandes Marches worden aangevuld met het Rondo in D uit 1818, een diverterend werk, waarvan de opmaat volgens de toelichting van Jan Vermeulen ‘telkens plagerig de kop opsteekt, als wou Schubert ons met een oorwurm opzadelen'.

Schubert zou zich thuisgevoeld hebben op die eenvoudige zolder in Willebringen, met zijn planken vloer en knusse dakspanten. En wat zou hij hebben genoten van het spel van Jan Vermeulen en Veerle Peeters op de vertrouwde Tröndlin fortepiano.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links