CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, april 2020

Saint-Saëns: Symfonie nr.3 in c, op.78 – Le Carnaval des animaux

Daniele Rossi (orgel), Martha Argerich (piano), Orchestra dell'Accademia Nazionale di Santa Cecilia o.l.v. Antonio Pappano
Warner 9029575555 • 71' •
Live-opname: april 2016 (Symfonie), Sala Santa Cecilia; nov. 2016 (Carnaval), Sala Petrassi, Auditorium Parco della Musica, Rome

   

Camille Saint-Saëns werd geboren in 1835, acht jaar na de dood van Beethoven – hij stierf in 1921, drie jaar later dan Debussy. Dat een componist oud wordt is niet zo bijzonder, maar er zullen weinig toonmeesters zijn die kunnen bogen op een scheppende carrière van ruim zeventig jaar. De jonge Camille pende al op zijn vijftiende een (ongenummerde) symfonie en 36 jaar later zijn derde. Over die derde was hij zo tevreden dat hij het daarbij liet – het is zijn meest gespeelde orkestwerk geworden. Niet in de laatste plaats door de spectaculaire rol die het orgel in de finale van het werk toebedeeld kreeg ging het werk de muziekgeschiedenis in als ‘orgelsymfonie'. Na de Londense première in 1886 klonk de symfonie drie jaar later op het gloednieuwe Maarschalkerweerd orgel in het Amsterdamse Concertgebouw, en ze heeft sindsdien op een haartje na honderd keer op de lessenaars van het Concertgebouworkest gestaan. Saint-Saëns was zelf twintig jaar lang organist van de Parijse Madeleine, een baan waarover hij een alleraardigste anecdote schreef in zijn memoires. De dienstdoende abbé verweet hem dat hij niet wat meer populaire nummers uit de opera liet horen, omdat de congregatie voor een groot deel uit welgestelde operabezoekers bestond. Saint-Saëns gaf hem lik op stuk: ‘mijn waarde abbé, pas wanneer u in uw preek teksten uit de opera verwerkt zal ik aan uw verzoek voldoen'. Wonderlijk genoeg speelde het orgel in Saint-Saëns' concept niet de hoofdrol die we er nu aan toekennen, want voor concertzalen zonder pijporgel geeft hij als alternatief in de partituur een harmonium. Gelukkig bestaat voor concertzalen die niet over een pijporgel bezitten tegenwoordig een bruikbaar alternatief in de vorm van het gekloonde pijporgel, bekend onder de naam Hauptwerk.

Antonio Pappano (1959) werd geboren in Engeland uit Italiaanse ouders. Op zijn dertiende verhuisde de familie naar de Verenigde Staten, waar Papano zijn opleiding ontving en zijn loopbaan begon als pianist aan de New Yorkse City Opera. Pappano is sinds 2002 music director van het Londense operahuis Covent Garden en sinds 2005 chef-dirigent van de Accademia Santa Cecilia in Rome. Dat laatste orkest heeft zijn ups en downs gekend, maar is onder Pappano's leiding uitgegroeid tot een ensemble dat internationaal meetelt en voor het label Warner een aantal schitterende opnamen heeft gerealiseerd. Die kwamen veelal live tot stand in de thuishaven van het orkest, de Sala Santa Cecilia van het Parco della Musica, een complex dat ontworpen werd door architect Renzo Piano en in 2002 werd opgeleverd.

Wonderlijk genoeg beschikt die zaal niet over een concertorgel, en dus heeft organist Daniele Rossi zich moeten behelpen met een elektronische vervanging. De toelichting zwijgt erover in alle talen, maar zo te horen is het geen Hauptwerk geworden, daarvoor klinkt het te gekunsteld. Het blijft sowieso een groot probleem om de surrogaat orgelklank, die uit vele rondom opgestelde luidsprekers komt, op een natuurlijke wijze te integreren in het klankbeeld. Dat is hier dan ook niet gelukt. Ook met de andere nouveauté die Saint-Saëns in zijn symfonie toepaste, een obligate partij voor piano vierhandig, konden de opnametechnici niet echt uit de voeten. Jammer, want Pappano zorgt voor een zeer overtuigende interpretatie van deze partituur, waarin hij andermaal laat horen dat de wortels die hij schoot in het operabedrijf, doorgroeien in zijn symfonische activiteiten, met een schitterend gevoel voor rubato en een soepele omgang met het ritme, zonder dat een en ander gekunsteld aandoet. In dat opzicht is hij de gedroomde opvolger van Sir John Barbirolli, die andere Engelse meesterdirigent van Italiaanse komaf.

Camille Saint-Saëns was een echte homo universalis, met een zeer brede wetenschappelijke belangstelling, en geen geduld voor onzin. Hij heeft er de naam aan overgehouden nogal hautain te zijn, maar uit bovengenoemde anekdote blijkt dat hij een goed ontwikkeld gevoel voor humor had. Dat komt zonneklaar tot klinken in zijn Dierencarnaval, een werk voor twee piano's en klein ensemble dat ontstond tussen de werkzaamheden aan de Derde symfonie. Hij schreef het voor ‘tussen de schuifdeuren' en gaf het dan ook geen opusnummer. Pas na zijn dood verscheen het in druk, en het is naast de symfonie zijn meest geliefde schepping geworden, met Le Cygne – de zwaan – als absolute topper.

Martha Argerich en Antonio Pappano in Saint-Saëns' Le Carnaval des animaux (foto Musacchio & Ianniello)

Le Carnaval des Animeaux is het party piece van Martha Argerich, en zij is uiteraard de publiekstrekker van deze uitgave. Samen met Pappano en een uitgelezen gezelschap van negen musici zorgt ze voor een hilarische zowel als ontroerende luisterervaring (met dank aan de Zwaan van cellist Gabriele Geminiani). De stuntelende pianisten wekken zoveel lachlust op dat je de beelden erbij zou wensen. Wonderlijk dat het publiek zich bij zoveel hilariteit toch nog rustig wist te houden. Overigens krijgen we aan het slot van de symfonie wel een applaussalvo meegesneden, maar blijft het na het Carnaval doodstil.

Kortom, een natuurgetrouwe weergave van twee mooie concertuitvoeringen, die vooral laten horen dat we in Antonio Pappano en Martha Argerich twee muzikanten hebben om heel erg zuinig op te zijn.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links