CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, januari 2019

 

Saint-Saëns: Ascanio

Jean-François Lapointe (bariton, Benvenuto Cellini), Joé Bertili (bas-bariton, Pagolo), Bernard Richter (tenor, Ascanio), Ève-Maud Hubeaux (mezzosopraan, Scozzone), Jean Teigten (bas, François I), Karina Gauvin (sopraan, La Duchesse d'Étampes), Choeur du Grand Théâtre de Genève, Choeur et Orchestre de la Haute école de musique de Genève o.l.v. Guillaume Tourniaire

B-RECORDS LBM 013 • 3.10 • (3 cd's)
Live-opname: 24 & 26 november 2017, Grand Théâtre, Genève

 

Om te beginnen een groot compliment voor de presentatie van deze uitgave: in een gebonden boek, formaat reuzenpocket, met de drie cd's in de omslag. Het resultaat is een prettig leesbaar boek (Frans/Engels), met uitgebreide artikelen, bio's van de solisten met veel foto's in zwart-wit en het complete libretto in twee talen. Klein probleem voor de verzamelaar: het past niet tussen de cd's, dus dan maar in de boekenkast. De Haute école de musique van Genève heeft kosten noch moeite gespaard om van dit project een schitterend visitekaartje te maken.

Dat blijkt ook uit de repertoirekeuze: één van de twaalf opera's van Camille Saint-Saëns, de man die componeerde van zijn vijftiende tot zijn zesentachtigste, en een kolossaal oeuvre achterliet waarvan een handvol titels een vaste plaats in het repertoire hebben veroverd. Een daarvan is de opera Samson et Dalila, de overige elf zijn vergeten. Wikipedia geeft een aardig overzicht onder het kopje ‘Operas by Camille Saint-Saëns' waaraan serieus aandacht is besteed – op alle titels kan worden doorgeklikt naar een korte samenvatting.

Zijn zevende opera had eigenlijk Benvenuto Cellini moeten heten, maar uit respect voor Berlioz werd het Ascanio. De partituur ontstond tussen 1887 en 1888, de première vond plaats in 1890. Tijdens de voorbereiding overleed moeder Saint-Saëns, en de gebroken componist moest zich terugtrekken, met fatale gevolgen voor zijn partituur, die werd onderworpen aan forse coupures. Behalve de fluitsolo uit de balletmuziek werd Ascanio snel vergeten. Voor deze wedergeboorte keerde dirigent Guillaume Tourniaire terug naar het oorspronkelijke manuscript. We maken kennis met een werk dat niet geheel beantwoordt aan het beeld van de succesvolle nummeropera die in die tijd nog steeds furore maakte. Dat het werk in 1890 flopte hoeft geen verbazing te wekken. In de woorden van Bernard Shaw: ‘I need not waste my words on the music of it. There is not an original phrase in it from beginning to end'. Claude Debussy, die ook geen goed woord over had voor de oude aristocraat, moet toch goed geluisterd hebben. In Ascanio wordt het fundament gelegd voor Pelléas et Melisande van ruim tien jaar later – een opera met doorgecomponeerde teksten, ofwel een opera waarin het accent niet in de eerste plaats ligt op aria's en ensembles. Saint-Saëns was in 1890 nog gebonden aan de conventies van de Parijse Opéra, en dat hield in dat de derde akte begon met een ballet. Het zal niemand verbazen dat die balletmuziek de opera enige tijd heeft overleefd, maar wonderlijker is dat Saint-Saëns die balletmuziek componeerde in een namaak antieke stijl, ook hierin was hij zijn tijd vooruit, gezien de belangstelling die Claude Debussy vlak voor zijn overlijden toonde voor Rameau, om maar te zwijgen van de neo-barokke producties van Respighi.

Deze uitgave van Ascanio betekent niet de hernieuwde kennismaking met een meesterwerk, maar ze biedt wel een corrigerend inzicht in de ontwikkeling van de Franse opera en de interessante wisselwerking tussen Saint-Saëns en Debussy. Tussen Ascanio (1890) en de Prélude à l'apres-midi d'un faune (1894) liggen vier kalenderjaren, maar een halve eeuw in componistenjaren.

Ondanks de excuses over de gemutileerde première blijven we zitten met een geniaal werk dat helaas geen publiek gevonden heeft, maar niettemin een fascinerend beeld geeft van de ontwikkeling van de Franse opera op de grens van de negentiende en de twintigste eeuw. Dankzij deze liefdevolle productie uit Genève, die niet alleen met zorg werd gerealiseerd, maar bovendien getuigt van professionaliteit. De betrokken solisten, de beide koren, het conservatoriumorkest, allen verdienen een groot compliment. Over de individuele prestaties van de zes hoofdrolspelers kunnen we kort zijn: uitstekend – met een extra pluim voor de verstaanbaarheid, een kwaliteit die langzaam uit het operabedrijf lijkt te verdwijnen. Een bijzondere accolade verdient dirigent Guillaume Tourniaire, niet alleen voor zijn inspirerend leiderschap, maar ook voor het voorbereidende redactionele werk en het diepgravende begeleidende artikel. Een uitgave om te koesteren.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links