CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, september 2012

 

 

Rachmaninov: Pianoconcert nr. 3 in d, op. 30

Rubinstein: Pianoconcert nr. 4 in d, op. 70

Joseph Moog (piano), Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz o.l.v. Nicholas Milton

Onyx Classics 4089 • 70' •

Opname: juni 2011, Philharmonie Ludwigshafen (D)


De foto op de voorkant van deze cd is een aardige binnenkomer. Oppervlakkig gezien staat een jonge Sergei Rachmaninov, met karakteristieke hoed, voor een propellervliegtuig klaar om op toernee te gaan. Zijn rol wordt echter gespeeld door de Duitse pianist Joseph Moog, 24 jaar jong en net over de drempel van een wereldcarrière. Hier presenteert hij zich met twee Russische concerten die meer met elkaar te maken hebben dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Anton Rubinstein (1829-1894) is de muziekgeschiedenis ingegaan als de pianovirtuoos die het verpofte om Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert ten doop te houden. Hij vond het helemaal niks. Op dat moment had hij recht van spreken, met een onovertroffen reputatie als pianist, dirigent, en componist van vijf pianoconcerten, waarvan het vierde model stond voor de eersteling van Tsjaikovski. Rachmaninov maakte op zijn twaalfde kennis met het spel van Rubinstein en was voor het leven verkocht. Zelf schreef hij vier concerten en het kan geen toeval zijn dat het meest omvangrijke, het Derde, geschreven is in dezelfde toonsoort als het bekendste concert van Rubinstein, het Vierde. In het begin van de twintigste eeuw was Rubinsteins concert nog regelmatig te horen, maar in de loop der jaren heeft het ruimte moeten maken voor de concerten van Tsjaikovski en Rachmaninov. Joseph Moog kwam op het slimme idee om ons te laten horen hoe Rubinstein en Rachmaninov met elkaar verweven zijn. Moog is een echte klaviertijger die op een gezonde manier gefascineerd is door de grote virtuoze werken voor zijn instrument. Hij krijgt hier de kans om zich uit te leven, en die grijpt hij letterlijk met beide handen. In dit repertoire ben je uiteraard niet alleen. De competitie in Rachmaninov is kolossaal, daarop ingaan is zinloos; Moog is een soeverijn pianist die speelt zonder opsmuk, kennelijk heeft hij goed geluisterd naar de meester zelf. Rubinstein heeft de afgelopen halve eeuw ook de nodige discografische aandacht gekregen – in de concertzaal hoor je zo’n stuk niet meer. Ponti, Banowetz, en Hamelin gingen Moog voor, in stuk voor stuk indrukwekkende registraties. De kracht van deze uitgave ligt in de het technisch meesterschap en de kiene keuze van Moog.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links