CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, november 2021

(R.) Strauss: Don Quixote op. 35 – Till Eulenspiegels lustige Streiche op. 28 – Romanze voor cello en orkest

Jean-Guihen Queyras (cello), Tabea Zimmermann (altviool), Gürzenich-Orchester Köln o.l.v. François-Xavier Roth
Harmonia Mundi HMM 902370 • 64' •
Opname: jan./febr./juli 2019, Orchesterprobenzentrum Gürzenich-Orchester, Keulen

   

Dit is de derde uitgave in een drieluik op Harmonia Mundi dat gewijd is aan werken die hun wereldpremière beleefden bij het Gürzenich-Orchester Köln. Eerder verschenen opnamen van de Derde en de Vijfde Symfonie van Gustav Mahler. Ze zijn hier beide besproken door Aart van der Wal, die zich verbaasde over het feit dat op het bijzondere karakter van de gelegenheid – het gebruik van de originele partituren – in de toelichting niet werd ingegaan.

Bij de huidige uitgave is dat evenmin aan de orde, maar dat maakt in het geval van Richard Strauss niet uit. Strauss was net als Mahler een geniale dirigent, maar hij had niet de neurotische drang om aan zijn partituren te blijven sleutelen. Integendeel, zou men in het geval van Don Quixote zelfs kunnen opmerken, want wie de partituur opslaat zal tot zijn verbazing kennismaken met de navolgende titel: Don Quixote (Introduzione, Tema con Variazioni e Finale) – Fantastische Variationen über ein Thema ritterlichen Characters für grosses Orchester. Grosses Orchester, jawel, maar geen letter over de hondsmoeilijke solistische partijen voor de cello en de altviool.

Norman del Mar gaat in zijn driedelige standaardwerk over het oeuvre van Strauss (deel I, p. 148) in op het feit dat die solistische partijen geen aparte vermelding krijgen. Het is hem duidelijk dat ze aanvankelijk bedoeld zijn voor de solocellist en solo-altist van het betrokken orkest, maar dat de buitensporig virtuoze eisen in de loop van de uitvoeringspraktijk ertoe geleid hebben dat cellisten van naam zich het werk als een verkapt celloconcert hebben toegeëigend, en in hun kielzog de altviool hebben meegenomen. Del Mar merkt op dat Strauss zelf op latere leeftijd in die praktijk meeging.

Een mooi voorbeeld van beide uitvoeringstradities wordt nota bene gegeven door dirigent François-Xavier Roth zelf. In zijn functie van chef-dirigent van het (diep betreurde) SWR Sinfonieorchester Baden-Baden realiseerde hij een opname van de verzamelde symfonische gedichten van Strauss, recentelijk gebundeld in een uitgave op vijf cd's die hier door Harry-Imre Dijkstra is besproken. Op de registratie van Don Quixote uit 2012 zien we daar de namen van solocellist Frank-Michael Guthmann en solo-altist Johannes Lüthy. Groepsaanvoerders die vanaf hun eerste stoel de solopartijen voor hun rekening nemen.

In Keulen koos Roth voor de luxueuze oplossing, met twee grote namen: altiste Tabea Zimmermann en cellist Jean-Guihen Queyras. Het grote verschil tussen beide benaderingen blijkt niet alleen uit de kwaliteit van het spel, maar vooral uit het uitgangspunt van de opnametechniek. In Baden-Baden vervullen de groepsaanvoerders hun rol als primus inter pares, in Keulen zitten ze prinsheerlijk vooraan in het klankbeeld, en dat gaat onvermijdelijk ten koste van subtiele orkestrale details.

Om het plaatje nog wat ingewikkelder te maken moet nog vermeld worden dat de vorige chef-dirigent van het Gürzenich-Orchester, Markus Stenz, in 2013 met zijn orkest ook al een opname van Don Quixote en Till Eulenspiegel maakte voor het label Hyperion. Eveneens met twee solisten ‘van buiten' – cellist Alban Gerhardt en altist Lawrence Power. Op die opname lijkt de aandacht van het opnameteam wel heel erg duidelijk in het voordeel van de solisten uit te vallen. Overigens werden beide opnamen gerealiseerd in de enigszins droge akoestiek van de repetitieruimte van het orkest.

Samenvattend mag de conclusie zijn dat er op de nieuwe uitgave op Harmonia Mundi door solisten, dirigent en orkest een topprestatie wordt geleverd, en dat we op de opname uit Baden-Baden met een zeer gedetailleerde ‘historische benadering' te maken hebben. Ondanks het feit dat de wereldpremière van zowel Don Quixote als Till Eulenspiegel door het Cölner Städtischen Orchester, zoals het toen nog heette, in 1895 en 1898 onder Franz Wüllner plaatsvonden. De Romanze voor cello en orkest van de negentienjarige componist is dankzij het doorleefde spel van Jean-Guihen Queyras een verrukkelijke kers op de taart.

 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links