CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, april 2011

 

 

Strauss: Der Rosenkavalier op. 20 (suite) – Till Eulenspiegels lustige Streiche op. 28 – Vier letzte Lieder.

Anja Harteros (sopraan), Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. Mariss Jansons

BR Klassik 900707 • 64' •

 

 


Aan de lijst van orkesten die hun eigen concerten discografisch uitbaten is inmiddels ook dat van de Beierse Radio toegevoegd. Ter gelegenheid van ‘60 Jahre Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks’ worden sinds 2009 op het label BRKlassik opnamen uit heden en verleden uitgebracht. Het orkest, net als veel andere Europese radio-orkesten geboren in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog, werd geleid door illustere maestri als Eugen Jochum, Colin Davis, Lorin Maazel, en sinds 2003 Mariss Jansons. Dat Jansons ook de baton zwaait over het KCO, eveneens met een eigen label, zal aan beide kanten van de grens wel met argusogen bekeken worden. Op deze cd dirigeert hij zijn Beierse orkest in muziek van een andere Beierse beroemdheidheid, Richard Strauss.

Het schijfje opent met een Rosenkavalier-suite, maar gezien het enorme aantal werken dat onder deze naam circuleert verdient dat enige uitleg. De suite in kwestie wordt toegeschreven aan Strauss zelf, en is in 1945 uitgegeven door Boosey and Hawkes in Londen. De werkelijkheid is anders, want in 1966 schreef Ernst Roth, directeur van de uitgeverij: ‘This is a suite of music in one continuous movement. The information we have about its origins are scanty. Though published under the name of Richard Strauss, it is believed that the arrangement was connected with the Polish conductor Arthur Rodzinsky’. Dat Strauss zijn toestemming hieraan verleende heeft ongetwijfeld te maken met financiële overwegingen. Zijn leven lang heeft hij zich zeer terughoudend opgesteld om delen uit zijn meest populaire opera in orkestrale uittreksels uit te geven, met als gevolg een wildgroei aan potpourri’s door derden, waaraan de oorspronkelijke uitgever (Fürstner) dankbaar meewerkte. Ook de hier gepresenteerde ‘suite’ is een verzameling van de meest bekende fragmenten, met als coda een uitbundig ‘dirigentenslot’ – een garantie voor een klaterend applaus, maar deze geniale partituur totaal onwaardig. Wat is er mis met het originele en verrassende slot waarvan Strauss zelf de opera voorzag?

Dat Jansons juist deze suite heeft gekozen lijkt symptomatisch voor een uitvoering die al evenmin van veel inzicht getuigt in een partituur die het opgelegde drama niet schuwt. Het is net alsof Jansons de expliciete erotiek en de verborgen insinuaties te opdringerig vindt en ze in een keurig symfonisch mantelpak wil persen. De orkestklank is schitterend afgewerkt en een genot om naar te luisteren; soms denk je werkelijk zangstemmen te horen, zo detaillistisch worden de kleuren aangebracht. Maar in het uitgecomponeerde orgasme van de eerste scène wordt de rem op de klank gezet en krijgen bijvoorbeeld de hoorns niet de kans om te laten horen dat ze geen viagra nodig hebben. En zo blijft het: kuisheid gaat voor emotie.

Till Eulenspiegel is een schelm die met een palet vol sprekende kleuren door Strauss is neergezet. Es-klarinetten, piccolo’s, trombones, contrafagot, allemaal werken ze mee aan een klankbeeld dat in zijn felheid herinnert aan een schilderij van Cézanne. Jansons zoekt het meer in een Gemälde van Böcklin, met romantische halftinten. Daar horen tempi bij die aan de bedaarde kant zijn en zo wordt deze Till niet alleen een tikkeltje corpulent, maar ook een paar minuten trager dan de meeste andere Eulenspiegels.

Tenslotte de Vier letzte Lieder uit 1948, gezongen door Anja Harteros, een van Duitslands lievelingssopranen van het moment. Zij paart een schitterende stem aan een rotsvaste techniek, ingrediënten die garant moeten staan voor een topuitvoering van deze Parnassus voor de sopraan. Zangtechnisch verricht ze wonderen, vooral wanneer je in aanmerking neemt dat het hier om live-opnames gaat die zijn samengesneden uit slechts twee concerten. Het beruchte slot van ‘Beim Schlafengehn’, met zijn kilometerslange melisma’s op het woord Augen, moet in Harteros zijn meerdere erkennen. De meeste collega-sopranen zien zich hier genoodzaakt de tekst iets te verleggen. Maar Harteros permitteert zich ook storende vrijheden: Italiaans aandoende portamenti werken vervreemdend, en de totale concentratie op de klank zorgt voor een tekst die soms onverstaanbaar wordt – en heus niet alleen in de hoogte. Ondanks de niet geringe kwaliteiten van de uitvoerenden ontbreekt toch de ontroering die iedere vertolking van dit meesterwerk moet losmaken: de gelouterde Strauss schreef deze liederen op de drempel van het hiernamaals, en haalde daarvoor zijn noten alvast uit de hemel.

Het orkest van de Beierse Radio stond samen met het KCO in de top tien van beste orkesten ter wereld en zo klinkt het ook, vooral wanneer het is opgenomen als hier. Toch is dit een cd die behalve de herinnering aan momenten van sublieme schoonheid ook gemengde gevoelens achterlaat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links