CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juni 2021

Poot: Symfonieën nr. 1-7

BRTN Philharmonic Orchestra o.l.v. Hans Rotman (S. 1)
Belgian National Radio Symphony Orchestra o.l.v. Franz André (S. 2)
Antwerp Philharmonic o.l.v. Léonce Gras (S. 4)
Moscow Symphony Orchestra o.l.v. Frédéric Devreese (S. 3/5/6/7)

Naxos 8.574292-93 • 2.21' • (2 cd's)
Opname: 3 juli 1996 (S. 1), juni/juli 1960 (S. 2, mono) BRT Studio 4, Brussel; 5 nov. 1971 (S. 4), Koningin Elisabethzaal, Antwerpen; jan. 1995 (S. 3/5/7), okt. 1994 (S. 6), Mosfilm Studio, Moskou

   

Aan Marcel Poot (1901-1988) valt de eer te beurt (afgezien van César Franck) het meest gespeelde Belgische orkestwerk te hebben geschapen: de ‘Vrolijke Ouverture'. Geschreven in 1934, opgedragen aan Paul Dukas, bij wie hij in de vroege jaren dertig studeerde, en uitgegeven bij Universal Edition te Wenen. Over het eclatante succes van dit slechts vijf minuten durende werk had Poot zelf zo zijn bedenkingen: ‘een beetje faciel, niet beter dan goede casinomuziek' was zijn latere oordeel. Toch valt niet te ontkennen dat deze ouverture de kern van zijn muzikale vocabulaire bevat: ritmische energie, harmonische spanning die invloeden van de jazz verraadt, een hoekige thematiek en een briljante orkestratie.

Poot werd geboren als zoon van Jan Poot, directeur van het Koninklijk Vlaams Theater in Brussel. Hij studeerde bij Paul Gilson en won in 1930 de Rubens prijs die het mogelijk maakte om in Parijs te gaan studeren bij Paul Dukas. Na zijn terugkeer naar België bekleedde hij diverse functies, waaronder directeur van het Brussels Conservatorium (1949-1966) en jurylid van het Koningin Elisabeth Concours (1963-1981). Poot heeft een kolossaal oeuvre nagelaten dat alle genres beslaat, met een extra nadruk op werken voor blaasorkest. Zijn muzikale credo heeft vorm gekregen in de samenwerking met zeven andere leerlingen van Paul Gilson als ‘Les Synthétistes'. Het streven was een synthese van de tot dan gangbare stijlmiddelen, met inbegrip van filmmuziek en jazz, en afwijzing van rekenkundige technieken.

Poot schreef zeven symfonieën, die in twee tranches ontstonden: de eerste drie tussen 1929 en 1952, en de laatste vier met afstanden van steeds vier jaar tussen 1970 en 1982. Poot was zelf het meest te spreken over zijn Derde symfonie, en een aardige bijzonderheid is dat Antal Dorati dit werk in 1957 uitvoerde met het Concertgebouworkest. Eduard van Beinum was hem in 1946 al voorgegaan met het ‘Allegro symfonique', na de Vrolijke Ouverture het meest gespeelde werk van Poot.

De Belgische componist en dirigent Frédéric Devreese (1929, Amsterdam - 2020, Brussel) was een leerling van Poot, en heeft zijn mentor een kapitale dienst bewezen door in 1994/5 twee cd's op te nemen met vier van de zeven symfonieën, de Vrolijke Ouverture, het Allegro symfonique en een Tarantella en de suite uit het ballet Pygmalion. Men zou mogen veronderstellen dat hij hiervoor kon beschikken over de welwillende medewerking van de Belgische publieke omroep, maar wonderlijk genoeg besliste de werkelijkheid anders. De opnamen werden gemaakt door het Moscow Symphony Orchestra, een kaartenbakorkest; gelukkig hoeven we ons over de kwaliteit van zo'n orkest in een stad als Moskou geen zorgen te maken. De opnamen verschenen destijds op het label Marco Polo, en worden nu opnieuw vermarkt door Naxos. De ontbrekende symfonieën zijn afkomstig uit het archief van de Belgische publieke omroep. De Eerste symfonie kreeg in 1996 een uitstekende lezing van Hans Rotman, een Nederlander die voornamelijk buiten onze grenzen actief is en daar opvalt in het onbekendere repertoire. Voor de Tweede symfonie moest diep in de archieven worden gedoken: de mono opname werd in 1960 gerealiseerd door het orkest van de BRT onder Franz André (1893-1975), oprichter en chef van dat orkest van 1935 tot 1958. Léonce Gras (1908-1993), eveneens in verschillende functies werkzaam voor de BRT, verzorgde in 1971 een opname van de Vierde symfonie, die in 1977 werd uitgebracht op het label Cultura.

Marcel Poot spaarde zijn orkesten niet: de orkestratie is soms van een duizelingwekkende virtuositeit. Merkwaardig genoeg wordt er in de toelichting verwezen naar verwantschappen met Prokofjev en de neoklassieke Stravinsky, maar wie zijn oor te luisteren legt hoort toch in de eerste plaats Franse invloeden van met name Roussel en Honegger. Zoals gezegd hoeven we ons over de kwaliteit van het Moskouse orkest geen zorgen te maken, Devreese had duidelijk een stevige greep op zijn tijdelijke manschappen en kende deze partituren van binnen en van buiten. De overige symfonieën komen eveneens uitstekend uit de verf, waarbij men natuurlijk de leeftijd van de mono-opname voor lief moet nemen.

Dit is een uitgave die door de uniciteit van het materiaal staat als een huis, en daar voorlopig nog wel even zal blijven staan. Nederland is niet het enige land waar componisten na hun verscheiden snel worden vergeten. Het is overigens van harte te hopen dat Naxos de bovengenoemde losse orkestwerken alsnog een uitgave waardig keurt, al zijn ze nu ook als download beschikbaar. Marcel Poot verdient het!!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links