CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, februari 2009


 

Penderecki: Concerto Grosso 1 voor drie celli en orkest - Largo voor cello en orkest - Sonate voor cello en orkest.

Ivan Monighetti, Arto Noras en Rafal Kwiatkowski (cello), Warsaw National Philharmonic Orchestra
o.l.v. Antoni Wit.

Naxos 8.70509 • 72' •

 

 


Krzysztof Penderecki (1933) heeft aan het begin van zijn carrière al snel de gesloten centra voor nieuwe muziek als Darmstadt, Donaueschingen en Warschauer Herfst kunnen verruilen voor de internationale concertpodia. Dat dankte hij aan zijn Threnos voor 52 strijkers uit 1961, een klaagzang die hij opdroeg aan de slachtoffers van Hiroshima. De titel zal ongetwijfeld hebben bijgedragen aan het succes van het werk; het grote publiek kreeg zo een handvat aangereikt om deze klankgeworden nachtmerrie van oorverdovende clusters, gierende glissandi en spookachtige klopgeluiden te kunnen associëren met verwoesting en fallout. Polymorphia voor 48 strijkers (1962) bewoont dezelfde klankwereld als Threnos, maar eindigt in een welluidend C-groot. Critici vonden dat destijds een goedkoop trucje om het publiek na het bittere klankmedicijn een suikerklontje aan te bieden. Nu kijken we daar wat minder van op, en, hoe het ook zij, niemand minder dan Herbert von Karajan nam het op zijn repertoire. Het driedelige Dies Irae voor solisten, koor en orkest uit 1967 kent een soortgelijke dedicatie als die van Threnos: het is opgedragen aan de 'Nagedachtenis van degenen die vermoord zijn in Auschwitz'. Als klein jongetje had Penderecki vanachter de gordijnen in zijn ouderlijk huis de progroms tegen de joden van zijn geboortestad gadegeslagen, een ervaring die hem nooit meer los zou laten.

In 1967 sloeg de première van de 'Passie volgens het Evangelie van Lukas' in als een bom. Dat een gevestigde avant-gardist zich met zo'n onderwerp in zou laten en Gregoriaanse thema's broederlijk naast grommende bassen en krijsende sopranen kon laten coëxisteren wilde er bij de hardcore avant-gardisten niet in. Het publiek dacht daar anders over en inmiddels is het werk in het repertoire ingeburgerd en zijn er talloze uitvoeringen van gegeven. En van het polystilistische karakter van het werk kijkt niemand vandaag de dag nog op. Het is immers Penderecki die hier de trend heeft gezet, en een geheel nieuwe benadering van zijn publiek succesvol heeft weten te maken. Zodanig, dat honderden componisten hem, aanvankelijk schoorvoetend, gevolgd zijn.

De eerstvolgende grote omslag in de schrijfwijze van Penderecki voltrok zich rond 1976. In dat jaar leverde hij een nieuw vioolconcert af aan Isaac Stern, een werk waar geen noot in voorkomt die niet door iemand als Sjostakovitsj zou kunnen zijn geschreven. Weg clusters en klopgeluiden. Melodie en harmonie staan centraal. Ronkende bassen, veel vallende kleine secundes en een dicht chromatisch web kenmerken de nieuwe werkwijze. Er wordt in commentaren dikwijls verwezen naar Bruckner en Wagner, maar ik hoor veel meer de invloeden van Cesar Franck, Szymanowski en Sjostakovitsj. Hetzelfde gaat op voor de Tweede Symfonie, "Kerstmis" uit 1980, waarin de componist op mierzoete wijze het kerstliedje "Stille Nacht" citeert. De opera Paradise Lost en het Te Deum besluiten deze romantische episode. Penderecki moet ongetwijfeld tot de conclusie zijn gekomen dat hij met deze retro-romantiek op termijn niet verder zou komen, en dus zien we vanaf 1982 een synthese ontstaan van de avant-garde en de laatstgenoemde.

 
  Krzysztof Penderecki (1933)

Het eerste werk in deze schrijfstijl is het Tweede Celloconcert uit 1982, opgedragen aan Mstislav Rostropovitsj. Het werd geschreven in opdracht van de Berliner Philharmoniker voor hun honderdjarig bestaan en de eerste uitvoering werd gedirigeerd door de componist op 11 januari 1983 in de Philharmonie van Berlijn. Het is zonder twijfel het beste en meestgespeelde orkestwerk, met of zonder solist, dat de componist geschapen heeft. Maar liefst vijf cellisten hebben het werk intussen op cd gezet: Rostropovitsj voor Erato, Boris Pergamentsjikov voor Orfeo, Ivan Monighetti voor Polskie Nagrania, Torleif Thedéen voor BIS en Arto Noras voor Finlandia. Van de eerste uitwaaierende pianissimo gespeelde hoge clusters in de tweede violen tot de verzadigde slotakkoorden met klokken weet de componist de boog in één grote beweging gespannen te houden. Het is een concert in de beste zin van het woord: veel ruimte is gegeven aan het orkest zodat er een spannende dialoog ontstaat.

Dit alles brengt ons bij het onderwerp van deze bespreking, een nieuwe cd op het label Naxos met twee recente werken waarin de cello wederom een hoofdrol speelt, het Concerto Grosso voor drie celli en orkest uit 2000 en het Largo voor cello en orkest, geschreven voor - hoe kan het anders - Mstislav Rostropovitsj uit 2003. 'Slava' speelde de wereldpremière met de opdrachtgevers, de Wiener Philharmoniker onder Seji Ozawa, maar van een opname zou het niet meer komen. Het werk is in feite een kloek celloconcert - het derde - dat zijn naam uitsluitend dankt aan het feit dat het bestaat uit drie langzame delen die zonder onderbreking in elkaar overgaan. Het Concerto Grosso voor drie celli en orkest reminisceert op geen enkele wijze aan de barokke wereld die de titel suggereert. De titel is zuiver en alleen ingegeven door het idee van een concertino van drie celli tegenover het 'ripieno' van het orkest. Het is een zesdelig werk zonder onderbrekingen, dat begint en eindigt met een langzaam deel. Dat Alfred Schnittke de auteur is van een aantal Concerti Grossi voor uiteenlopende bezettingen, is kennelijk geen geheim voor  Penderecki, want regelmatig is een vette knipoog naar zijn vakbroeder te horen. Opdrachtgever van dit werk was het Japanse NHK orkest te Tokyo, dat onder zijn nieuwe chefdirigent Charles Dutoit (opvolger van Wolfgang Sawallisch) vernieuwender programmeert en compositie-opdrachten verstrekt, maar natuurlijk wel rekening houdt met de zaalbezetting. Dit Concerto Grosso oogt (oort?) een tikje ouderwets maar het publiek zal zich zeker niet hebben verveeld, al was het alleen maar om het visuele spektakel. Niet sinds de dagen van David Popper zagen we drie cellisten op één podium solistisch optreden. De cd sluit af met de sonate voor cello en orkest uit 1964, op een jaartje na veertig jaar ouder dan het Adagio dat eraan voorafgaat, gelukkig gescheiden door een forse stilte, die de inzet des te magischer doet overkomen. Uiteraard zijn we hier weer terug in de experimentele klankwereld die in de openingsparagraaf ter sprake kwam.

Naxos en het Warschauer orkest onder Antoni Wit zijn gepokt en gemazeld in dit repertoire en ook de primarius van deze drie cellisten, Ivan Monighetti, de laatste leerling van de celloklas van Rostropovitsj aan het Moskouse Conservatorium, deed al eerder van zich spreken met een opname van het Tweede celloconcert en is de solist in de Sonate. Arto Noras neemt de solopartij  in het Adagio voor zijn rekening. Kortom: drie topcellisten, een uitstekend orkest en een dirigent die een autoriteit is in dit repertoire, wat wil een mens nog meer? Ook op de opnamekwaliteit valt niets af te dingen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links