CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, september 2020

Mozart: Mis in c, KV 427 (KV 417a)

Ana Maria Labin (sopraan I), Ambroisine Bré (sopraan II), Stanislas de Barbeyrac (tenor), Norman Patzke (bas)

Vocaal Ensemble & Les Musiciens du Louvre o.l.v. Marc Minkowski
Pentatone PTC 5186 812 • 48' •
Opname: december 2018, MC2, Grenoble (F)

   

‘Ik ga iedere zondag naar Baron van Swieten, waar alleen maar Bach en Händel wordt gespeeld. Ik verzamel op het ogenblik de fuga's van Bach – niet alleen van Sebastian, maar ook van Emanuel en Friedemann'.
Mozart in een brief aan zijn vader, 10 april 1782

Baron Gottfried van Swieten (1733-1803) was de zoon van de Nederlandse chirurgijn Gerard van Swieten, die in 1745 naar Wenen beroepen werd als lijfarts van aartshertogin Maria Theresia, de moeder van Keizer Joseph II. Gottfried verkeerde dus in de hoogste kringen, maar dat niet alleen, hij werd ook door de keizer aangesteld op cruciale posten. Naast bibliothecaris van de keizerlijke bibliotheek had hij een adviserende functie inzake censuur op woord en geschrift (dus ook op operalibretti). Een politiek conflict over de censuur veroorzaakte dat hij op 5 december 1791 werd ontslagen uit de keizerlijke dienst – op de sterfdag van Mozart! Het was Van Swieten die de begrafenis regelde (een massagraf), maar die ook zorgde dat weduwe Constanze een pensioen verwierf en dat Mozarts zoon Karl een studiebeurs kreeg.

Gottfried van Swieten had muzikale ambities die hij niet op eigen kracht kon verwezenlijken. Daarvoor had hij componisten nodig die hij alleen in Wenen kon vinden: Mozart en Haydn. Over van Swietens kwaliteiten als componist was de mening van Joseph Haydn kort maar krachtig: ‘zijn muziek is net zo stijf als de man zelf'. Maar hij adoreerde de grote werken van Bach en Händel, stukken die toen nog niet in het publieke domein voorkwamen. Mozart werd verblind door de kennismaking met het Wohltemperierte Klavier en de Hohe Messe van Bach. Maandenlang probeerde hij de ene na de andere fuga uit – stapels fragmenten zijn het resultaat. Een schitterend voorbeeld ervan vinden we terug in het Adagio en Fuga in c-mineur, KV 546, en in de vele koorfuga's van de Mis in c.

In 1782, het jaar waarin hij door Van Swieten kennismaakte met de fuga's van Sebastian Bach begon Mozart aan een Mis die de Hohe Messe van Johann Sebastian Bach het nakijken had kunnen geven. Maar er is een levensgroot probleem: hij voltooide haar niet. Hoe is het mogelijk dat juist Mozart deze kans liet lopen? Mozart die zich heel goed bewust was van zijn capaciteiten, en vanaf een prille leeftijd getraind was in het etaleren van zijn talenten. Toen Mozart begon met componeren was hij een kleuter, en zijn eerste indrukken deed hij op door de pianolessen van zijn zusje Nannerl. Zij speelde menuetten, dus hij verzon ze. Vader Leopold was een geboren pedagoog en wist precies wat er moest worden ondernomen om zijn kinderen op te voeden en te vermarkten. Jarenlang vierde het tweetal triomfen op concertreizen die hen langs alle belangrijke steden van Europa voerden: Wenen, Parijs, Londen, Den Haag. Kapitalen werden verdiend, zodat de Mozarts zich na thuiskomst konden vestigen in een deftig onderkomen in Salzburg.

Daarna ging het gruwelijk mis. Salzburg was na alle internationale successen voor de ambitieuze jonge componist een provinciaal gat dat hem geen uitdagingen bood. Zijn verplichtingen bestonden uit een goedbetaalde baan als organist en koordirigent in dienst van de aartsbisschop van Salzburg, Colloredo. Dat resulteerde in missen voor de zondag en vioolconcerten en serenades bij feestelijke gelegenheden. Een echt evenement was voor Mozart de opdracht die hij uit München kreeg voor de opera Idomeneo. Na zo'n succes was terugkomen in Salzburg alleen maar pijnlijker. Mozart was vierentwintig, wilde af van het toezicht van zijn vader en de neerbuigende behandeling door zijn werkgever, en gooide de kont tegen de krib. Wenen was de stad van zijn dromen en daar vestigde hij zich. Hij woonde op kamers bij mevrouw Weber, moeder van vier huwbare dochters en dus bijzonder actief als koppelaarster. Wolfgang was al eens ontzettend verliefd geweest op haar oudste dochter, Aloysia, maar zij had geen interesse meer. Het jongere zusje Constanze was de logische volgende kandidaat, en binnen korte tijd was Mozart ervan overtuigd dat Constanze zijn echtgenote zou worden. Vader Leopold was een heel andere mening toegedaan, en wellicht ontstaat hier het raadsel dat de Mis in c omringt.

Wolfgang en Constanze trouwden en vader Leopold gaf zijn toestemming een dag na de huwelijksvoltrekking. Wenen en Salzburg lagen ineens heel ver uit elkaar en het is nooit meer goed gekomen tussen vader en zoon. Mozart had zich voorgesteld dat hij met de mis in c het ultieme verzoenende gebaar kon maken naar zijn vader. Een mis waarin zijn bruid de belangrijke sopraansolo's zou vertolken. Uit de briefwisseling weten we dat de reis naar Salzburg eindeloos werd uitgesteld – Constanze was zwanger, en de geboorte van een zoon was een goed excuus.

Maar in augustus 1782 was het eindelijk zover, het jonggetrouwde stel arriveerde in het ouderlijk huis, bewoond door vader Leopold en zuster Nannerl. Brieven waren niet meer nodig, dus zijn we aangewezen op het dagboek van Nannerl. Dat gaat vooral over de dagelijkse kerkbezoeken om zeven uur 's ochtends en de weersomstandigheden. En o ja, op 26 oktober wordt een mis uitgevoerd. Niet in de kathedraal, maar in Sankt Peter, Mozarts favoriete godshuis. Nannerl rept echter met geen woord over de vocale prestaties van mevrouw Mozart of over de kwaliteit van de muziek. Raadselachtig.

Vader en moeder Wolfgang en Constanze hadden intussen heel andere zorgen aan hun hoofd. Op 17 juni waren ze de trotse ouders geworden van Raimund Leopold, maar het kindje dat ze in Wenen hadden achtergelaten in de zorg van een zoogmoeder overleed op 19 augustus. Triest dat het dagboek van Nannerl met geen woord rept over de dood van de zuigeling. Kindersterfte was doodnormaal, en dus hoeft het ons niet te verbazen dat het jonge echtpaar niet onmiddellijk terugreisde, maar het moet een treurige domper hebben gezet op het verdere verloop van het bezoek. De dag na de uitvoering van de mis ging het echtpaar naar huis. Het afscheid was definitief, Mozart heeft zijn vader, zijn zus en Salzburg nooit meer teruggezien. De Mis in c bleef onvoltooid en kreeg een nieuwe bestemming. Voor een benefietconcert voor weduwen en wezen werd ze van een nieuwe Italiaanse tekst voorzien, en met uitbreiding van drie aria's in 1785 gepresenteerd als de cantate Davidde Penitente.

In het oeuvre van Mozart is de Missa Solemnis in c een witte raaf. Niet in de eerste plaats door de indrukwekkende Bachiaanse fuga's, maar vooral door de virtuose aria's. De gelijkenis tussen de sopraanaria Et incarnatus est en de aria van Constanze uit Die Entführung, 'Martern aller Arten', is onmiskenbaar. Mozart heeft hier de deuren van de kerk wijd open gezet, net als zijn collega Giuseppe Verdi bijna een eeuw later zou doen in zijn Requiem.

Wat doet het nageslacht met een torso van deze omvang? Aanvankelijk gold het als ‘verschollen' (zoekgeraakt) maar in 1840 verscheen een eerste uitgave in de vorm van een klavieruittreksel. Pogingen om het werk in zijn onvoltooide staat speelklaar te maken werden pas na 1900 ondernomen, en er is uiteraard ook geprobeerd om de ontbrekende delen erbij te maken op basis van overgeleverde schetsen en een rijke fantasie. Wat Mozart achterliet was een torso dat vooral in het Credo en het Sanctus hier en daar hiaten vertoont in de instrumentatie. Van de vele edities die de lacunes opvullen koos Marc Minkowski de versie van Helmut Eder (1916-2005), een Oostenrijkse componist die woonde en werkte in Salzburg. Hij maakte zijn editie in 1987 in opdracht van de redactie van de Neue Mozart Ausgabe. Eder is in de huid van Mozart gekropen en heeft zo dicht mogelijk de aanwijzingen in de partituur omgezet tot een praktisch geheel. De grootste verschillen met andere edities zijn te horen in het Et incarnatus est, de grote coloratuuraria voor de sopraan in het Credo. Eder heeft heel smaakvol de strijkerspartijen aangevuld, die door Mozart na de inleiding zijn weggelaten. Niemand minder dan Claudio Abbado heeft van deze versie een opname gemaakt.

Op 22 december 2018 gaven Marc Minkowski en zijn Musiciens du Louvre in de ZaterdagMatinee een uitvoering van de Mis in c, voorafgegaan door Mozarts (Duitse) versie van de Ode auf St. Caecilia van Georg Frioedrich Händel, eveneens een opdrachtwerk van Van Swieten. Het concert maakte deel uit van een uitgebreide tournee, die eindigde in de standplaats van het ensemble, Grenoble. Daar werd aansluitend deze opname gerealiseerd, met hetzelfde solistenteam en dezelfde koorbezetting. Over de prestaties van orkest en solisten zullen de meningen onverdeeld enthousiast zijn, maar wat betreft het kooraandeel wringt er iets. Minkowski heeft gekozen voor een minimale, kennelijk door de barokke muziekpraktijk geïnspireerde, koorbezetting: drie sopranen, en twee elk van de overige stemmen. Dat komt in de dubbelkorige delen (Sanctus) neer op een enkelvoudige bezetting. Nu kan men natuurlijk redeneren dat de koorgalerij van de Sankt Peter in Salzburg niet meer dan een handvol zangers en instrumentalisten kon herbergen, maar de klinkende werkelijkheid ondersteunt die redenering niet. De toelichting bij de cd gaat er niet op in, en het is dus aan de luisteraar om te oordelen over de juistheid van deze beslissing. We zijn vandaag de dag al lang niet meer gewend dat oratoriumverenigingen met een ledental van honderd plus met dit repertoire aan de haal gaan, maar een dubbelkwartet? Voor het overige niets dan lof – twee sopranen als spreekwoordelijke leeuweriken en de immer voortreffelijk spelende Musiciens du Louvre worden geschraagd door een ideale akoestiek en een opname (niet in super audio) die klinkt als een klok.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links