CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, november 2018

 

Mozart: Pianoconcert nr. 16 in D, KV 451 – nr. 15 in Bes, KV 450 – Kwintet voor piano en blazers in Es, KV 452

Jean-Efflam Bavouzet (piano), Manchester Camerata o.l.v. Gábor Tákacs-Nagy
Chandos CHAN 20035 • 71' •
Opname: april 2018, The Stoller Hall, Hunts Bank, Manchester (VK)

   

Twaalf jaar geleden begon de Franse pianist Jean-Efflam Bavouzet (1962) zijn relatie met het label Chandos. Hij was toen 44 jaar – eigenlijk een laatbloeier, aan het contract met Chandos ging alleen een opname van de complete pianowerken van Ravel vooraf, ze verscheen in 2003 op het label MDG. In de tussenliggende jaren heeft Bavouzet de ‘achterstand' pijlsnel ingehaald. Aanvankelijk richtte hij zich op twintigste-eeuws repertoire – complete pianowerken van Debussy, de concerten van Prokofjev, Bartók en Ravel, een cd met werken van Janácek. Daarnaast kwamen de Weense klassieken in beeld: aan de complete pianosonates van Haydn en Beethoven wordt gewerkt, en sinds twee jaar zijn daaraan de pianoconcerten van Mozart toegevoegd.

Bavouzet en Chandos hebben geworsteld met het concept en zijn daarin niet consistent gebleken. In het eerste deel lag de nadruk op de eigen cadenzen van de pianist, in deel twee werden Divertimenti voor strijkers in de mix gebracht. Deel drie komt met een zinnig concept dat ik nog niet eerder ben tegengekomen. Een combinatie van drie openvolgende Köchelnummers waarin de piano centraal staat, maar dan anders: de concerten 15 en 16 plus het kwintet voor piano en blazers, de Köchelnummers 450-451-452. Sinds de uitvinding van de cd waren juist de drie concerten KV 449-450-451 een voor de hand liggende en dikwijls toegepaste combinatie.

Toen Mozart het ouderlijk huis in Salzburg verliet en zich in Wenen vestigde had hij maar één vurige wens: wereldberoemd worden in Wenen met pianoconcerten en opera's. Het is hem gelukt, en niet alleen in Wenen. Drie eeuwen later mogen we vaststellen dat de pianoconcerten van Mozart de markt hebben veroverd, in de concertzaal zowel als in de cd-catalogus. Zevenentwintig concerten, een ongehoord aantal vergeleken met de oogst van Beethoven, Rachmaninov of Prokofjev, die stopten bij vijf. Zelfs wanneer we de juvenalia buiten beschouwing laten kijken we naar tenminste vijftien concerten die een vast onderdeel van het concertrepertoire zijn geworden.

Die vijftien concerten zijn de afgelopen decennia door tientallen grote pianisten opgenomen – de catalogus puilt uit. En ze groeit nog steeds, dankzij de belangstelling voor de pianoforte en de historisch geïnformeerde praktijk (bij de Britten afgekort tot HIP). Daar wil Bavouzet zijn eigen inzichten aan toevoegen, en dat doet hij nadrukkelijk in samenwerking met Manchester Camerata. Niet door zelf vanaf het klavier te leiden, maar met medewerking van dirigent Gábor Takács-Nagy. Uit nieuwsgierigheid heb ik vergeleken met Murray Perahia en Daniel Barenboim, beiden verantwoordelijk voor een spraakmakende integrale, gerealiseerd vanachter de vleugel. Perahia maakte de zijne tussen 1976 en 1984 voor het label CBS (overgenomen door Sony). Barenboim was iets later, hij nam zijn visie tussen 1986 en 1989 op voor EMI. In beide gevallen was het English Chamber Orchestra verantwoordelijk voor het orkestaandeel.

Wat opvalt is dat de interpretaties aansluiten bij de smaak van de tijd. Voor Perahia is Mozart schoonheid voor alles, klankgeworden Mozartkugeln. Slechts een paar jaar later is Barenboim bezig met een wezenlijk aspect van deze concerten: de retoriek tussen piano en orkest die alleen gerealiseerd kan worden door een pianist die ook het orkest inspireert. In beide gevallen een interpretatie voor de concertzaal, met de bijbehorende opnamekarakteristiek.

Bavouzet, Takács-Nagy en Manchester Camerata herinneren ons eraan dat concertzalen zoals wij die kennen in Mozarts tijd niet bestonden. Ze nemen Mozart mee terug naar huis in het kwintet voor piano en blazers, en het opnameteam kiest ervoor om dezelfde akoestische karakteristieken te handhaven in de beide concerten. Alles in deze interpretatie is gericht op helderheid en doorzichtigheid, waarbij de inzichten van de historisch geïnformeerde muziekpraktijk een hartig woordje meespreken. In dat laatste opzicht roept die herinneringen op aan de eenmalige samenwerking tussen Friedrich Gulda en Nikolaus Harnoncourt in 1983 in het Amsterdamse Concertgebouw, en dat is een levensgroot compliment.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links