CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, oktober 2013

 

Mozart: Hobokwartet in F, KV 370 – Hoboconcert in C, KV 314 – Vioolsonate in Bes, KV 378 (bewerking voor hobo)

Alexei Ogrintchouk (hobo), Boris Brovtsyn (viool), Maxim Rysanov (altviool), Kristina Blaumane (cello), Leonid Ogrintchouk (piano), Lithuanian Chamber Orchestra o.l.v. Alexei Ogrintchouk

BIS-2007 • 56' • (sacd)

Opname: april 2012, Lithuanian National Philharmonic Hall, Vilnius, Litouwen;
augustus 2011, Sendesaal Bremen (Sonate)

 

Alexei Ogrintchouk is solohoboïst van het Koninklijk Concertgebouworkest. Wanneer in zijn geboortejaar 1978 iemand voorspeld zou hebben dat een volbloed Rus die positie in de volgende eeuw zou bekleden was de muziekwereld in homerisch gelach uitgebarsten. De tijd heeft ons ingehaald: op zijn twintigste kwam Alexei naar Rotterdam om daar eerste hoboïst te worden, vijf jaar later verkreeg hij dezelfde positie bij het Amsterdamse orkest. Even voor uw informatie: de grote orkesten in Nederland hebben op de posities van de ‘eerste stoel’ twee mensen in dienst. Bijgevolg heeft het KCO, maar ook Rotterdam en de andere grote orkesten, twee solohoboïsten, solofluitisten, concertmeesters, etcetera. Aardig detail daarbij is dat Amerikaanse en Britse orkesten deze traditie niet kennen. Die hebben gewoon één solohoboïst (principal) met daarnaast een plaatsvervanger (co-principal). In Berlijn en Wenen doen ze het net zo als in Amsterdam, maar daar mag dan meteen bij verteld worden dat het in Wenen feitelijk om twee orkesten gaat – één voor de Staatsoper en één voor op reis.

Alexei Ogrintchouk maakte drie jaar geleden zijn eerste cd voor het label BIS, met hoboconcerten van J.S.Bach – in smaakvolle transcripties. Bach schreef helemaal geen hoboconcerten, maar zijn cantates bevatten een schat aan onvergetelijke melodieën voor de hobo. Daar kunnen we nog generaties mee voort. Op zijn tweede cd kiest Alexei voor Mozart. Ook Wolfgang Amadé heeft schitterende passages voor de hobo gecomponeerd (ik denk even aan de Concertaria ‘Vorrei spiegarvi, o Dio’), maar de oogst aan originele composities is beperkt. Het Hoboconcert K 314 kenden we na de dood van de componist tot 1920 alleen als het Tweede fluitconcert in D. In dat jaar dook de (originele) hoboversie op in Salzburg. Mozart schreef dat concert voor de beroemde virtuoos Ferlendis, voor wie ook de hobopartij in bovengenoemde aria bestemd was. Hoboïsten hebben van de nood een deugd gemaakt, en op hun beurt het Eerste fluitconcert in G, K 313, geschikt gemaakt voor de hobo in de toonsoort F. Wat mij altijd weer opvalt in het echte hoboconcert is de nabijheid van de opera ‘Die Entführung aus dem Serail’. De finale van het hoboconcert lijkt een blauwdruk voor de aria van Blondchen, ‘Welche Wonne, welche Lust’.

In de herfst van 1777 bracht Mozart een bezoek aan Mannheim. De Mannheimer Hofkapelle bestond uit louter virtuozen – an army of Generals volgens Charles Burney – en één ervan was de hoboïst Friedrich Ramm. Hij maakte het concert tot zijn lijfstuk – cheval de bataille lezen we in Mozarts correspondentie. Uit erkentelijkheid schreef Mozart in 1781 een nieuw werk voor Ramm, voor de ongehoorde bezetting van hobo, viool, altviool en cello – een strijkkwartet waarin de eerste viool was vervangen door de hobo. Een hobokwartet dus. Wie denkt dat in de volgende twee eeuwen de hobokwartetten ons om de oren zijn gevlogen heeft het mis. Maar ze zijn er wel: Jean Francaix en zijn Nederlandse evenknie Hans Osieck hebben juweeltjes nagelaten.

Wat de hobo betreft is Mozart hier klaar, de hoboïst die meer uit de meester wil halen moet aan het werk. Er is materiaal genoeg om stukken voor een ander instrument om te schrijven, om te beginnen de vioolsonates: ongeveer hetzelfde register, maar liever niet teveel dubbelgrepen. Een ideale kandidaat is de sonate K 378, die luttele jaren na Mozarts dood al circuleerde in een versie voor klarinet. Ene L. Slavinsky maakte de transcriptie die hier wordt gespeeld, meer informatie geeft het boekje niet. Dat is ook niet nodig, de noten van de viool kunnen probleemloos door de hobo worden uitgevoerd, dubbelgrepen zijn er niet, en het overbodige vulwerk kan zonder probleem worden weggelaten. Met overbodig vulwerk bedoel ik zoiets als de openingsmaten voor de viool in de oorspronkelijke versie, die nog geafficheerd werd als een pianosonate met vioolbegeleiding.

Alexei heeft zich voor deze cd omringd met geestverwanten in muzikale zowel als geografische zin. De hoofdmoot van deze schijf, het Hoboconcert, werd opgenomen in Vilnius, met een dubbelrol voor de solist, die ook de directie voor zijn rekening nam. In Vilnius werd ook het Hobokwartet vastgelegd, met verwante zielen uit Baltische en Russische regionen. De sonate tenslotte wordt begeleid door Leonid Ogrintchouk, beschreven als pianist en componist in het boekje. Waarom daar niet even bij kon worden gezegd dat hij papa Ogrintchouk is begrijp ik niet – voor zo’n zoon hoef je je niet te schamen, en voor zo’n vader al evenmin. Samen hebben ze kennelijk dolle pret, en gezien de beschikbare schijfruimte hadden ze nog even door kunnen gaan. Een moderne hobo (bouwjaar 2001) en een Steinway zetten de toon, maar in het hoboconcert zijn er momenten waar de knipoog van Harnoncourt tot klinken komt. De opnametechniek is volkomen natuurlijk en de toelichting biedt tal van aardige wetenswaardigheden. Een pracht van een cd met een dijk van een programma.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links