CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, augustus 2020

Malipiero: Symfonie nr. 6 (degli archi) - Ritrovari - Serenata mattutina - Cinque studi

Orchestra della Svizzera Italiana o.l.v. Damian Iorio
Naxos 8.574173 • 59' •
Opname: mei 2017, Auditorio Stelio Molo RSI, Lugano (Zwitserland)

   

Dankzij de pioniersarbeid van Gian Francesco Malipiero (1882-1973) kunnen we vandaag de dag volop genieten van de muziek van Monteverdi en Vivaldi. Hij zorgde als jonge man voor bruikbare partituren, die nu uiteraard al lang weer zijn verouderd. Maar Malipiero was in de eerste plaats de schepper van een gigantisch oeuvre - tientallen opera's en zeventien symfonieën vormen slechts het topje van de ijsberg. Zijn muzikale smaak was al net zo ruim bemeten, met in zijn jeugd de impressionistische Debussy als idool, gevolgd door de neoklassieke Stravinsky en in zijn latere jaren de twaalftoons methode van Schönberg. Malipiero geldt als de belangrijkste Italiaanse componist van zijn generatie, en hoewel zijn werk nog nauwelijks wordt gespeeld, staat (stond?) op het programma van komend seizoen bij het Concertgebouworkest zowaar een uitvoering van een van zijn bekendste orkestwerken, Pause del Silenzio (Fabio Luisi dirigeert).

Op het label Marco Polo verschenen in het begin van de jaren negentig de complete symfonieën van Malipiero, gespeeld door het Moscow Symphony Orchestra (een kaartenbakorkest) onder leiding van Antonio de Almeida, en inmiddels opnieuw uitgebracht op het label Naxos. Goed om te weten dat het hier niet alleen gaat om de elf genummerde symfonieën, maar ook om een aantal ongenummerde, die de bijgelovige Malipiero schreef om te vermijden dat hij meer dan zeven symfonieën zou moeten schrijven. Pas toen hij zijn achtste strijkkwartet had voltooid waagde hij zich aan een achtste symfonie. Ondanks het feit dat van de zesde dus al een opname bestaat op het label Naxos, worden we hier getrakteerd op een gloednieuwe opname, en dat blijkt terecht.

Malipiero schreef zijn zesde in 1947 voor strijkorkest, vandaar de subtitel 'degli archi' (voor strijkers). Het is een van zijn toegankelijkste en meest gespeelde partituren gebleken; in 1953 maakte hij dan ook een kleine versie voor strijkkwintet. Het werk wortelt stevig in de Italiaanse barokke traditie van het concerto grosso, aangelengd met een flinke scheut neoclassicisme à la Stravinsky. De merkbare invloed van nog oudere toondichters als Monteverdi en Frescobaldi in het fraaie langzame deel maakt dat het bepaald geen epigonenmuziek is geworden. Het hondsmoeilijke derde deel, een energiek scherzo, stelt het Moskouse orkest danig op de proef, maar levert in Lugano geen noemenswaardige problemen op. Daarmee alleen al is deze nieuwkomer meer dan welkom.

Daar blijft het niet bij, want onder het aanvullende repertoire bevinden zich twee discografische premières. De Ritrovari (hervonden) uit 1926 en Cinque Studi met de toevoeging 'per domani' (voor morgen), uit 1959/60. De Ritrovari zijn opgedragen aan Malipiero's goede vriend, de schrijver Gabriele d'Annunzio. Ze vormen een tweeluik met de Ricercari van een jaar eerder, en vallen op door hun bijzondere orkestbezetting, gebaseerd op een strijkorkestje dat slechts bestaat uit vier altviolen, een cello en een contrabas, aangevuld met het standaard blaaskwintet. Vooral in het derde deel, Lento e triste, weet Malipiero met die strijkersbezetting magische resultaten te behalen. De Cinque Studi per domani werden oorspronkelijk geschreven voor piano, en naderhand georkestreerd voor een kamerorkestbezetting. De Serenata mattutina uit 1959 heeft de kleinste bezetting: fluit, hobo, klarinet, twee fagotten, twee hoorns, aangevuld met twee altviolen en een celesta (die pas op het allerlaatst aan het woord komt). Zowel in de Serenata als de Cinque studi laat Malipiero met een veel dissonanter geluid horen dat de tijd niet heeft stilgestaan.

Damian Iorio is een Britse dirigent die zijn sporen in het moderne repertoire ruimschoots verdiend heeft, en vindt in het orkest van de Zwitsers/Italiaanse radio een ideaal instrument. De productie werd gerealiseerd door de technici van de omroep, en aan alles is te merken dat die zich hier op bekend terrein bevinden: ieder nootje wordt gehoord in een warme akoestiek. Een aparte vermelding verdient de zeer uitgebreide en doorwrochte toelichting (alleen Engels, vijf klein gedrukte pagina's) van David Gallagher. Een prachtproductie van alweer een orkest dat met enige regelmaat in zijn bestaan wordt bedreigd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links