CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, januari 2011

 

 

Mahler: Symfonie 7 in e

Residentie Orkest o.l.v. Neeme Järvi

Chandos CHSA 5079 • 70' • (sacd)

 

 

 

 


Het Residentie Orkest was onder zijn langjarige chef Willem van Otterloo regelmatig een welkome gast in de platencatalogus van het label Philips. Na diens vertrek heeft het orkest vooral een discografische reputatie verworven met de vertolking van Nederlandse muziek, aanvankelijk in eigen beheer, laatstelijk op het label Chandos. De huidige chefdirigent van het orkest, Neeme Järvi, kan terugkijken op een lange verbintenis met dat label, een verbintenis die in onrustig vaarwater kwam toen de dirigent aangaf ook wel eens het ‘ijzeren repertoire’ te willen dirigeren, na met veel vakmanschap een paar honderd cd’s met componisten van het ‘tweede garnituur’ te hebben doorgeworsteld. Hij kreeg zijn zin en maakte met het London Philharmonic een complete Brahms cyclus, en met het Royal Scottish National nam hij de Derde en de Zesde van Mahler op. Daarna bleef het ruim een decennium stil rond de activiteiten van Järvi en Chandos. Nu de band kennelijk weer hersteld is, krijgt de maestro met zijn Haagse orkest alsnog de gelegenheid om zich te manifesteren in het grote symfonische repertoire. Het resultaat lijkt te leiden tot gemengde reacties.

Een paar maanden geleden verraste Järvi ons met waarschijnlijk de snelste opname (62 minuten) van de Vijfde Bruckner (klik hier). Met zijn Schotse Zesde Mahler had hij ook al een snelheidsrecord verbroken door de teller op 72 minuten stil te zetten, terwijl de ‘norm’ rond de 80 ligt. Hier laat hij eenzelfde procedé los op Mahlers Zevende, met alweer een record: 70 minuten. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich Riccardo Chailly die met zijn toenmalige KCO inklokte op 85 minuten. Haitink en Solti, die allebei een reputatie te verliezen hebben in dit repertoire, zitten er tussenin met 78 minuten. Bernstein en zijn discipel Tilson Thomas doen er een minuutje langer over. Nu zegt tijdsduur natuurlijk lang niet alles: Mahler zelf had in 1908 niet meer dan 74 minuten nodig, en Valery Gergiev deed er in zijn recente opname (klik hier) maar twee minuten langer over dan Järvi, maar het verschil tussen beide opvattingen kon niet groter zijn.

Mahler heeft het zijn dirigenten bepaald niet makkelijk gemaakt, met een partituur die bol staat van de – soms tegenstrijdige – aanwijzingen en geheel afziet van metronoomcijfers. Waar het in dit kolossale en uiterst moeilijke werk om gaat zijn de onderlinge temporelaties, met name in de beide hoekdelen. Järvi permitteert zich de nodige vrijheden, door vooral in de snelle gedeeltes flink door te jassen, om vervolgens in de zangrijke passages fors gas terug te nemen. Het resultaat is een uiterst onrustig klankbeeld dat de granieten grandeur van deze symfonische reus beslist geen recht doet. De beide Nachtmusiken, die niet voor niets zo heten, lijden echter onherstelbare schade door aperte snelheidsovertredingen. In de eerste Nachtmuziek krijgt de sinistere marsmuziek daardoor een onbedoeld komisch karakter. Dat het vierde deel, de Zweite Nachtmusik, in minder dan 10 minuten wordt afgewerkt, betekent bovendien dat de broodnodige rust tussen het grillige Scherzo en de wilde Finale ontbreekt. Aan het orkest zal het ook deze keer niet liggen: er wordt zelfs in deze race tegen de klok uitstekend gespeeld en het opnameteam heeft de lastige Philipszaal alweer op voortreffelijke wijze kleingekregen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links