CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, januari 2020

Magnard: Symfonie nr. 1 in c, op. 4 - nr. 2 in E, op. 6

Philharmonisches Orchester Freiburg o.l.v. Fabrice Bollon
Naxos 8.574083 • 69' •
Opname: oktober 2018, Rolf Böhme Saal, Konzerthaus, Freiburg (Symf. nr. 1) en januari 2019, SWR Studio, Baden-Baden (D)

   

Albéric Magnard (1865-1914) kwam op gruwelijke wijze aan zijn einde. Toen Duitse troepen aan het begin van de Eerste Wereldoorlog zijn huis vorderden pakte hij zijn geweer en schoot raak. Zijn huis werd in brand gestoken en Magnard kwam om in de vlammen. We hoeven ons niet af te vragen wat Magnard gevonden zou hebben van de bijnaam die hij postuum verwierf in sommige publicaties: de Franse Bruckner. Wie nog nooit een noot van Magnard heeft gehoord en deze cd in de speler legt, wordt inderdaad bij de eerste maten herinnerd aan Bruckner, en ook in het vervolg zijn er momenten waarop typisch Bruckneriaanse gebaren om de hoek komen kijken. Dat kan evenwel alleen maar toeval zijn, want de twintigjarige Magnard kan in 1890, het jaar waarin hij als conservatoriumstudent aan deze symfonie werkte, geen notie hebben gehad van de Oostenrijkse meester. Diens Zevende Symfonie, zijn eerste grote internationale succes, werd weliswaar in 1886 in diverse steden voor het eerst gespeeld: Amsterdam, New York, Boston en Chicago - maar niet in Parijs. Het blijft in het feest der herkenning overigens niet bij Bruckner, ook de naam van Mahler valt zo nu en dan; al even onwaarschijnlijk, want diens eerste klonk in 1889 voor het eerst - in Boedapest.

Die verwijzingen naar muziek die nog geschreven moest worden zeggen iets over de originele geest van Magnard. Een wantrouwige, zwaarmoedige man, die niet geloofde in muziekuitgevers. Hij beschikte over de middelen om zijn werken zelf te publiceren, maar had niet het zakelijke instinct om ze aan de man te brengen, met als gevolg dat hij ook in zijn vaderland nauwelijks een poot aan de grond kreeg. De eerste symfonie werd in 1890 één keer gespeeld, en daarna niet meer. Een volgende uitvoering liet honderd jaar op zich wachten. De Tweede werd bij de première in 1896 met gehoon ontvangen, vervolgens gereviseerd, en onderging hetzelfde lot. Het contrast tussen de beide werken kon niet groter zijn: waar de Eerste nog zwaar leunt op César Franck doet het begin van de Tweede al een gooi naar de volwassen Roussel.

Pas in het digitale tijdperk kregen de beide eerstelingen van Magnard nieuwe kansen. Michel Plasson zorgde in 1989 met zijn Orchestre du Capitole de Toulouse voor de discografische première op het label EMI. In 1999 volgde Thomas Sanderling met het Malmö Symphony Orchestra op BIS, en tien jaar later was de beurt aan Jean-Yves Ossonce en het BBC Scottish Orchestra op Hyperion. Nu, weer tien jaar later zorgt Fabrice Bollon in Freiburg voor een vervolg op het label Naxos, na eerst de Derde en Vierde symfonie te hebben ingespeeld (hier besproken). Waar blijft de discografische belangstelling van de toonaangevende Franse orkesten?

Over de Derde Symfonie van Magnard zijn de meningen unaniem positief, maar op de beide eerste wordt terughoudend gereageerd: de Eerste zou te vettig zijn georkestreerd, de tweede te grillig zijn opgebouwd. Fabrice Bollon bewijst met zijn manschappen dat het met name met die vette orkestratie best meevalt, en weet ook de structuur van de Tweede vast in de hand te houden. Bollon (1965) is al tien jaar actief als GMD in Freiburg (het orkest bedient in de eerste plaats de opera), en heeft met deze uitgave gezorgd voor een eminente introductie tot het symfonische oeuvre van een Franse meester tussen Franck en Roussel.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links