CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, januari 2019

 

Elgar: Symfonie nr. 1 in As, op. 55

Staatskapelle Berlin o.l.v. Daniel Barenboim
Decca 483 1585 • 52' •
Live-opname: 19 & 21 september 2015, Philharmonie, Berlijn

   

Hollanders lusten Elgar niet. In 1919 maakte de componist de reis naar het Concertgebouw om zijn Eerste symfonie te dirigeren. Een jaar later mocht hij het kunstje overdoen. Het duurde tot 1983 tot Colin Davis de Eerste symfonie bij het Concertgebouworkest nieuwe kansen gaf, en in 1998 mocht Roger Norrington het nog eens proberen. Drie keer in honderd jaar.

Daniel Barenboim (1942) heeft het Concertgebouworkest nooit gedirigeerd, maar heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot de Berlijnse troonopvolger van Herbert von Karajan. In 1992 trad hij aan als leider van de Staatsoper unter den Linden, en recent heeft het onderkomen van de Staatsoper een kolossale renovatie ondergaan en is door zijn persoonlijke bemoeienis de akoestiek dramatisch verbeterd. Daarnaast heeft hij eigenhandig voor een nieuw centrum voor nieuwe muziek gezorgd met de fenomenale Pierre Boulez Saal als klap op de vuurpijl. Het orkest van de Staatsoper steekt onder zijn bewind de Berliner Philharmoniker naar de kroon, en het Chor der Staatsoper, zeventig zangers sterk, klinkt onder koordirigent Martin Wright als een klok, zoals te horen is op de recente opname van Elgars Dream of Gerontius, die hier door Aart van der Wal uitgebreid besproken is.

Barenboim en Elgar maakten ooit kennis via meestercelliste Jacqueline du Pré, de betreurde eerste echtgenote van de jonge Daniel, in een tijd waarin hij zich aanvankelijk vooral als pianist manifesteerde. Jacqueline maakte een grensverleggende opname van het celloconcert van Elgar met dirigent John Barbirolli. Maar het duurde niet lang voordat ze samen met haar echtgenoot een live-opname kon realiseren in Philadelphia. Die werd uitgebracht door CBS, waar in de jaren zeventig ook opnamen verschenen van de beide symfonieën. Meer Elgar volgde, en een en ander werd vele malen heruitgegeven op Sony.

Nu beleeft Barenboim in Berlijn zijn tweede jeugd met Edward Elgar, met een nieuwe live- opname van het celloconcert met Alisa Weilerstein, gevolgd door de beide symfonieën en The Dream of Gerontius. De live-opnamen van de symfonieën en de concertuitvoeringen op tournees zijn overladen met hosanna's, en terecht. Barenboim heeft van de Staatskapelle een toporkest gemaakt, met homogene strijkers, prachtige blazers en een kopersectie die onwaarschijnlijk zuiver intoneert.

Barenboim heeft in zijn jonge jaren wat Elgar betreft veel opgestoken van Sir John Barbirolli, die niet alleen voornoemde opname van het celloconcert met Jacqueline du Pré dirigeerde, maar bovendien de beide symfonieën vastlegde voor EMI. De Eerste werd in 1963 in Londen opgenomen met het ‘huisorkest' van EMI, het Philharmonia Orchestra – de creatie van producent Walter Legge (die zelf maar al te graag had willen dirigeren). Voor de Tweede stond Barbirolli in 1964 voor zijn eigen orkest, het Hallé Orchestra in Manchester, waar hij van 1943 (let op het jaartal) tot zijn dood in 1970 werkzaam was.

Het is altijd weer interessant om te lezen hoe een nieuwe uitgave in de muziekpers wordt beoordeeld, en wat men er voor bijzonders aan meent te op te merken. Zo kunnen we in The Guardian lezen dat Barbirolli's uitvoering ‘significantly longer' is dan die van Barenboim. Ik heb het even nagekeken, maar 54 tegen 52 minuten lijkt me verwaarloosbaar. Aan de tempi ligt het dus niet, maar wel aan de omgang met de tempi, en dan meer in het bijzonder aan het rubato. De uitdrukking rubato stamt van het Italiaanse woord voor stelen, rubare. Het komt er in de muziek op neer dat noten iets in lengte van elkaar kunnen afsnoepen, om het elders weer terug te geven – een subtiel spel dat maakt dat muziek niet mechanisch klinkt. Het spreekt vanzelf dat de beste dirigenten meesters zijn in het toepassen van een bijna onmerkbaar rubato, en daar ook hun orkestleden de ruimte in gunnen. Barbirolli was een grootmeester in het rubato, en wie Daniel Barenboim als pianist kent weet dat die kwalificatie ook voor hem geldt. Hoe je die kwaliteit in Berlijn overbrengt op een uitstekend orkest dat deze muziek niet in zijn genen heeft is een ander verhaal. Dat betekent niet dat er geen magische momenten kunnen ontstaan, ze ontstaan alleen op een andere manier. Neem het begin van het Scherzo, fluisterzacht en griezelig gelijk in een schitterende strijkersklank. Onvergetelijk. Het maakt duidelijk dat de virtuositeit van orkesten enorm is toegenomen.

Daarbij moeten we ook nog bedenken dat Walter Legge in 1963 de vrijheid had om de revenuen die door The Beatles werden ingebracht bij EMI in te zetten voor zijn klassieke projecten. Barbirolli mocht in Abbey Road in alle rust werken aan een studioregistratie. Barenboim heeft het geluk dat Decca zijn opname uitbrengt, maar moet er wel voor zorgen dat er op twee concertuitvoeringen geen ongelukken gebeuren. Bovendien, en daar kunnen we niet omheen, Barbirolli was een geniale dirigent en Barenboim is een geniale organisator. Dat neemt niet weg dat hij met deze opname een Elgar neerzet die in orkestrale virtuositeit een groot deel van de competitie (inclusief Barbirolli) het nakijken geeft. De opname heeft alle kenmerken van een live-opname: zo dicht mogelijk op de instrumenten, en dus met een verlies aan warmte. Daar raken we langzaam maar zeker aan gewend.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links