CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, augustus 2018

 

Elgar: Symfonie nr. 2 in Es, op. 63 – Serenade voor strijkers in e, op. 20

BBC Symphony Orchestra o.l.v. Edward Gardner
Chandos CHSA 5197 • 67' • (sacd)
Opname: juli 2017, Watford Colisseum, Londen

   

Edward Elgar was de zoon van een pianostemmer, maar zijn vader vond een muzikale scholing niet nodig, en zo was Elgar als componist volstrekt op zichzelf aangewezen, zonder conservaroriumopleiding en met alleen maar een handvol vioollessen. Hij verdiende zijn brood met het geven van muzieklessen en het schnabbelen in orkesten. Op zijn eenendertigste trouwde hij met een pianoleerling, de veertigjarige Alice Roberts, dochter van een generaal. Daarmee werd hij ook een beetje de zoon van een generaal – een imago dat hij prefereerde boven dat van musicus. Alice zorgde voor Edward als een toegewijde moeder, en het is bijna aandoenlijk om te zien dat gedurende dit huwelijk de meesterwerken ontstonden die de zoon van de pianostemmer zouden transformeren tot Sir Edward Elgar: de eerste internationaal gevierde Britse componist sinds Henry Purcell. Toen Alice Elgar in 1920 overleed was Edward ontroostbaar en was het gedaan met de meesterwerken. Dat wil niet zeggen dat Edward geen belangstelling had voor jongere leden van het vrouwelijk geslacht, maar daarover hoefde hij niet stiekem te doen, Alice voegde dit aspect bij de rest van de zorg voor haar geniale echtgenoot.

I have written out my soul in the concerto, Sym. II and the ode and you know it… in these three works I have shewn myself.

Dat schreef Elgar aan Alice Stuart-Wortley, dochter van de schilder John Everett Millais en echtgenote van een baron en parlementslid. Deze Alice was zeven jaar jonger dan Elgar, en om verwarring te voorkomen noemt hij haar Windflower. Om bovenstaand citaat te begrijpen moeten we weten dat Elgar er een eigen taalgebruik op na hield – shewn is een ouderwetse vorm van shown. Een ander citaat vinden we boven de partituur van de Tweede symfonie: Rarely, rarely comest thou, Spirit of Delight! – het begin van Invocation van de dichter Shelley. Het hele gedicht kan worden gelezen als een gepassioneerde maar wellicht ook platonische liefdesverklaring aan die andere Alice.

De passie die in de Tweede symfonie doorklinkt kwam voor de concertbezoeker bij de première in 1911 als een schok na de Victoriaanse nobiliteit van de Eerste, die in het eerste jaar van haar ontstaan niet minder dan honderd keer werd gespeeld door de grootste dirigenten van die tijd. Een ongelofelijke prestatie die Elgar er niet van weerhield om zich te blijven beklagen over het gebrek aan erkenning dat hem als zoon van een pianostemmer zou worden onthouden. Terwijl hij in 1919 en 1920 uitgenodigd werd door het Concertgebouworkest voor twee programma's met uitsluitend eigen werken.

Die aanvankelijke internationale erkenning van de Eerste symfonie heeft niet doorgezet. Afgezien van de Enigma-Variaties en het Celloconcert heeft Edward Elgar nauwelijks een voet aan de grond gekregen op de concertpodia buiten het Verenigd Koninkrijk. De symfonieën mogen zich echter wel verheugen in een ruime discografische belangstelling, met recente toevoegingen door Daniel Barenboim met zijn Berliner Staatskapelle, Vassily Petrenko in Liverpool en nu Edward Gardner met het BBC Symphony Orchestra.

Edward Gardner (1974) neemt sinds 2009 exclusief op voor het label Chandos, met nauwelijks tien jaar later een indrukwekkende lijst van opnamen. Geen Bruckner en Mahler, maar Lutoslawski en Szymanowski, Walton en Britten, en nu Elgar. Dit is een jonge Elgar, niet Victoriaans of Edwardiaans, maar eigentijds. Wie deze uitvoering onder Gardner beluistert zal zich verbaasd afvragen waarom we dit schitterend georkestreerde werk (Richard Strauss was een groot bewonderaar) nooit te horen krijgen in onze concertzalen in plaats van alweer Mahler en Sjostakovitsj. Gardner laat horen dat de Tweede symfonie in de eenentwintigste eeuw een plaats verdient door de boodschap van een componist die een leven lang moest vechten tegen zijn eigen demonen. Nergens wordt dat duidelijker dan in het derde deel – een muzikale hellevaart die prachtig contrasteert met de magisch verdroomde doorwerking van het eerste deel. De opname werd gemaakt in twee dagen, maar klinkt alsof er twee weken op gerepeteerd is, dat zegt genoeg.

Net als bij de Eerste symfonie, die een jaar geleden verscheen, bestaat de aanvulling uit een van de werken voor strijkorkest. Bij de vorige uitgave was dat Introductie en Allegro, hier is het de Serenade uit 1892, werken waarin Elgar met voldoening zijn hardbevochten expertise in het schrijven voor strijkers etaleert. Een schitterende opname die het overzicht niet opoffert aan micro-management en een doorwrochte toelichting zorgen dat deze uitgave echt iets toevoegt aan de ruim bemeten discografische staat van deze werken. Er zijn minstens vijf Nederlandse orkesten die de Tweede van Elgar zonder moeite kunnen spelen. Waarom gebeurt dat niet?


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links