CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, december 2019

 

Dohnányi: Pianokwintet nr. 1 in c, op. 1 – nr. 2 in Es, op. 26 - Strijkkwartet nr. 2 in Des, op. 15

Marc-André Hamelin (piano), Takács Quartet
Hyperion CDA68238 • 81' •
Opname: augustus 2018, Concert Hall, Wyastone Estate, Monmouth (VK)

 

In de zomer van 1895 bracht Johannes Brahms zijn zomervakantie door in het mondaine kuuroord Bad Ischl. Daar ontmoette hij zijn vriend en collega Hans Koessler, compositieleraar aan de Nationale Hongaarse Koninklijke Muziekacademie. Die vertelde hem over een zeventienjarige leerling die net zijn studiejaar had afgesloten met een pianokwintet waarover Koessler niet raakte uitgepraat. Nieuwsgierig geworden vroeg Brahms inzage in de partituur. Hij was er zo van onder de indruk dat hij het wilde laten doorspelen. De jonge componist was niet in staat om over te komen, maar Brahms vond zijn vriend Arthur Nikisch bereid voor de pianopartij, samen met het Kneisel Quartet dat toevallig in de buurt was. De reactie van Brahms was kort en krachtig: ‘ik zou het zelf niet beter hebben gekund'. Nog datzelfde jaar organiseerde Brahms een uitvoering van het kwintet in Wenen, met de jonge componist aan de piano. Zijn naam: Ernö Dohnányi.

De jonge Ernö was niet alleen een componerend wonder, hij maakte ook binnen de kortste keren naam als pianovirtuoos. In 1898 zorgde hij voor een sensationeel debuut in Londen met Beethovens Vierde pianoconcert, en al in 1900 gold hij zowel in Europa als Amerika als de belangrijkste Hongaarse pianovirtuoos en componist sinds Franz Liszt. Binnen enkele jaren had hij een solide administratieve en artistieke positie veroverd in zijn vaderland, als directeur van de Liszt Akademie en chef-dirigent van het Boedapest Philharmonisch Orkest. Hoewel hij zelf als componist zijn leven lang bleef schrijven in een conservatief romantisch idioom, stond hij als dirigent en pianist open voor het vernieuwende geluid van zijn jongere landgenoten Bartók en Kodály. Desalniettemin werden zijn Brahmsiaanse sympathieën in later jaren door plaatselijke tegenstanders uitgelegd als onvaderlands, en toen Dohnányi zich in 1944 genoodzaakt zag om Boedapest te verlaten en zich korte tijd in Wenen vestigde werd dat zijn reputatie fataal.

Nadat Dohnáyi zich in Florida vestigde kwam het kort voor zijn overlijden in 1960 tot een eerherstel, maar het kwaad was geschied. Dohnányi verdween achter de horizon van het muziekbedrijf, zowel op het concertpodium als op geluidsdragers.

Dankzij de onafhankelijke labels heeft er op geluidsdragers de afgelopen decennia een flink eerherstel plaatsgevonden, en gelukkig zijn er musici als Marc-André Hamelin, die zich de moeite getroosten om verwaarloosd repertoire nieuwe kansen te geven en zich daar dan ook met profetisch doorzettingsvermogen voor inzetten. Componisten als Medtner, Busoni en nu dus Dohnányi mogen op zijn onvoorwaardelijke steun rekenen. Daarbij helpt het natuurlijk mee dat Hamelin in technisch opzicht over een onovertroffen techniek beschikt, en in muzikaal opzicht op eenzame hoogten vertoeft. Hoewel het label Hyperion al eerder een cd uitbracht met de beide pianokwartetten van Dohnányi (heruitgegeven op Helios), heeft het label deze gelegenheid tot herkansing met beide handen aangegrepen. Daarbij zal de beschikbaarheid van het Takács Quartet zeker een belangrijke rol gespeeld hebben.

Het spreekt haast vanzelf dat het Eerste pianokwintet in de eerste plaats indruk maakt door het verbazingwekkende meesterschap van een zeventienjarige. Het Tweede, dat in november 1914 (anderhalf jaar na de première van de Sacre du Printemps) tot klinken kwam in Berlijn, heeft weliswaar een verleidelijk eigen gezicht, maar bevestigt tevens de conservatieve instelling van de componist, die in dat opzicht tot aan zijn overlijden niet meer zou veranderen. Dat neemt niet weg dat hij in dat idioom een schitterend werk als het Derde strijkkwartet schiep, dat in 1906 nog net indruk kon maken, maar drie jaar later al werd overschaduwd door het Eerste strijkkwartet van de vier jaar jongere Bela Bartók.

Hamelin en de leden van het Takács Quartet geven zich met huid en haar over aan de romantische identiteit van deze werken, zonder een moment in zwelgende sentimentaliteit te vervallen – geen Kitsch maar Schmalz – hier wordt goudeerlijk gemusiceerd. Dat de cd werd opgenomen in Wyastone Estate, het hoofdkwartier van Nimbus, zegt genoeg over de opnamekwaliteit. Subliem.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links