CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, april 2020

Debussy: La Mer – Images pour orchestre

Orchestre national de France o.l.v. Emmanuel Krivine
Erato 9029568704 • 61' •
Opname: maart & okt. 2017, Auditorium Radio France, Parijs

 

 


 


Debussy:
La Mer
Stravinsky: Le Sacre du Printemps

New York Philharmonic o.l.v. Jaap van Zweden
Decca Gold 4817981 • 59' •
Opname: sept. 2018 (Sacre), okt. 2018 (La Mer), David Geffen Hall, Lincoln Center, New York

   

In 1934 werd in Frankrijk ten behoeve van de publieke omroep een orkest opgericht onder de naam Orchestre national. Tussen 1945 en 1949 werd de naam gewijzigd in Orchestre national de la Radiodiffusion française. Van 1949 tot 1964 heette het Orchestre national de la RTF (Radio Television française), en van 1964 tot 1974 Orchestre national de l' ORTF (Office de radiodiffusion-télévision française). Vanaf 1975 opereert het onder de huidige naam Orchestre national de France. 1975 was ook het jaar waarin de banden met de publieke omroep minder strak werden om het orkest in de gelegenheid te stellen om zich op de internationale podia te profileren. Aanvankelijk zonder chef, maar wel met coryfeeën als Leonard Bernstein en Lorin Maazel als vaste gastdirigent. In 1988 werd Lorin Maazel benoemd tot chef-dirigent, maar hij werd al in 1990 opgevolgd door Charles Dutoit (1990-2001), en daarna door Kurt Masur (2002-2008) en Daniele Gatti (2008-2016).

Jean Martinon was van 1968 tot 1973 de laatste chef-dirigent van Franse afkomst. Martinon was niet alleen dirigent, maar ook componist en had al een glansrijke carrière achter de rug als chef van onder meer de Chicago Symphony als opvolger van Fritz Reiner. Doordat hij in Chicago veel eigentijds repertoire programmeerde werd hij tegengewerkt door bestuur en pers, en nam in 1968 zijn ontslag. Bij het Orchestre National beleefde hij daarna een gouden tijd: voor het label EMI nam hij de complete orkestwerken van Debussy en Ravel op, naast belangrijke werken van o.a. Saint-Saëns en Roussel. In 1974 werd Martinon benoemd tot chef-dirigent bij het Residentie Orkest, maar hij overleed voortijdig.

In 2016 werd voor het eerst weer een geboren Fransman chef van het Orchestre National: Emmanuel Krivine, geboren in 1947 in Grenoble. Zijn wieg stond dan wel in Frankrijk, maar hij is de zoon van een Poolse moeder en een Russische vader. Hij werd opgeleid tot vioolvirtuoos, en had een succesvolle carrière, maar na een auto-ongeluk legde hij zich toe op dirigeren. Krivine heeft een aantal posities bekleed als chef, o.a. bij het Orchestre National de Lyon (1987-2000) en het Philharmonisch Orkest van Luxemburg (2006-2015). Krivine is een gedegen vakman die het avontuur niet schuwt: in 2004 stichtte hij een orkest dat speelt op oude instrumenten, La Chambre Philharmonique, waarmee hij successen boekte in uitvoeringen en opnamen van de complete symfonieën van Beethoven. Met zijn benoeming aan het hoofd van het Orchestre national de France zet hij de kroon op zijn carrière. In 2021 wordt hij opgevolgd door Cristian Macelaru. In het Debussy-jaar 2018 gingen Krivine en zijn orkest uitgebreid op tournee met werken van de Franse meester. Daaraan voorafgaand werden er in het nieuwe Auditorium Radio France (opgeleverd in 2014) opnamen gerealiseerd van twee topwerken: La Mer en Images. Voor Krivine een herhalingsoefening, want in zijn tijd bij het orkest van Luxemburg nam hij deze combinatie op voor het label Timpani. Ook voor het orkest is dit uiteraard vaste kost. Menige discografische vergelijking noemt de opname onder Martinon uit 1974 als referentiepunt. Wat Martinon en Krivine verbindt is een doorzichtige orkestklank en een subtiel gevoel voor ritme en frasering.

Terugblikkend op bijna een eeuw discografische geschiedenis van La Mer kijken we naar een mer á boire van honderden opnamen. Daarvan zijn de meesten zo goed dat ze nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn, en dus alweer vergeten. Ook in het Debussy-jaar verschenen de nodige nieuwe registraties – Gimeno, Ticciati, Heras-Casado en Manacorda zijn hier besproken. Daarnaast verschenen de nodige heruitgaven en verzamelboxen. De opnamen die er nog steeds opvallend uit weten te springen zijn vaak al meer dan een halve eeuw oud: Eduard van Beinum met het Concertgebouworkest (1957, stereo!) en Manuel Rosenthal met het orkest van de Parijse Opéra (1959), om er maar twee te noemen. Rosenthal valt op door zijn tempokeuze voor het tweede deel, Jeux de vagues, dat hij werkelijk als een scherzo interpreteert en daarin anderhalve minuut sneller is dan de gemiddelde uitvoering.

De nieuwe opname van Krivine wijkt qua tempi niet af van de standaard, maar ze biedt wel een extra inzicht in een veelbesproken revisie die Debussy zelf in de partituur aanbracht. Tegen het slot van het laatste deel elimineerde de componist vier korte fanfare-achtige inzetten van de trompetten (om precies te zijn vanaf maat 237 in de partituur). In de gedrukte partituren ontbreken deze inzetten, maar in de uitgave van Peters staan ze in facsimile in het redactiebericht afgedrukt. Over het wel of niet uitvoeren van die maten zijn dirigenten het niet eens. De meesten volgen de laatste wil van de componist, maar er is een enkeling die de trompetten hun oorspronkelijke noten teruggeeft: Fritz Reiner/Chicago, Solti/Chicago en Abbado/Luzern (dvd).

Krivine heeft ervoor gekozen om La Mer uit te voeren zonder de extra trompetfanfares, maar zorgt voor een extra track met de laatste twee minuten van het werk waarin ze alsnog te horen zijn. Op zich een aardig gebaar, maar waarom niet gewoon het laatste deel nog eens herhaald? Er was ruimte genoeg op een cd van iets meer dan een uur. Maar niet getreurd, want vorig jaar bracht Decca in de gloednieuwe serie Decca Gold een live-registratie uit van La Mer door het New York Philharmonic onder leiding van Jaap van Zweden. Van Zweden is de enige onder de nieuwe maestro's die de trompetten in ere hersteld heeft. Dat hij daarbij op zijn instinct gevaren heeft, en zich niet heeft laten leiden door musicologische overwegingen, lijkt evident. En het moet gezegd, wie eenmaal de originele versie van Debussy gehoord heeft zal zich altijd verbazen over het ‘gat' dat ontstaat in de vier maten waarin verder niets gebeurt. Alsof er iets is vergeten…

Krivine en zijn manschappen worden geholpen door een superieure opname, met een ongekende aandacht voor het detail. Luister maar eens naar de paar maten voor de inzet van het thema voor de gediviseerde celli in het eerste deel. Ieder bekkentikje valt feilloos op zijn plek. Hetzelfde geldt voor de Images pour Orchestre, en daarmee is deze cd een prachtig portret geworden van de samenwerking tussen Het Orchestre national de France en Emmanuel Krivine.

De live-opname die Jaap van Zweden in New York realiseerde is uiteraard in de eerste plaats bedoeld als showcase voor de adembenemende virtuositeit waarmee Van Zweden dit ensemble heeft weten te bezielen. Daarbij heeft men moeten optornen tegen de bepaald niet gemakkelijke akoestiek van de opgekalefaterde Avery Fisher Hall (nu David Geffen Hall). Met name in de Sacre leidt dat desondanks tot spectaculaire resultaten. Maar het moet gezegd, de Sacre die van Zweden opnam met het Radio Filharmonisch Orkest in de studio in Hilversum voor BIS wordt niet van de troon gestoten. Samenvattend: niet alleen om de redactionele activiteiten van Claude Debussy twee waardevolle uitgaven die de overvolle discografie van La Mer toch nog weten te verrijken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links