CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, september 2013

 

Bruckner: Symfonieën nr. 0-9
Eugen Jochum / Stanislaw Skrowaczewski*

Bruckner: Symfonie nr. 0 in d* - nr. 1 in c (Linzer Fassung, Nowak) – nr. 2 in c (1877, Nowak) – nr. 3 in d (1888/9, Nowak) – nr. 4 in Es ‘Romantische’ (Nowak) – nr. 5 in Bes (1878, Nowak) – nr. 6 in A – nr. 7 in E (Nowak) – nr. 8 in c (Nowak) – nr. 9 in d (Nowak)

Staatskapelle Dresden o.l.v. Eugen Jochum; Rundfunksinfonieorchester Saarbrücken o.l.v. Stanislaw Skrowaczewski*

Brilliant Classics 94707 • (10 cd’s)

Opname: 1975-1980, Lukaskirche, Dresden;
maart 1999, Kongresshalle Saarbrücken*.

Bruckner: Symfonieën nr. 1-9
(specificatie hierboven)

Staatskapelle Dresden o.l.v. Eugen Jochum

Warner Classics 84583 • (9 cd’s)

Opname: 1975-1980, Lukaskirche, Dresden

 

De Duitse dirigent Eugen Jochum (1902-1987) mag zich posthuum beroepen op een reputatie als een van de meest markante Brucknerdirigenten aller tijden. Het klinkende bewijs wordt geleverd door het feit dat hij in staat werd gesteld om de negen symfonieën van de meester maar liefst twee keer vast te leggen. In de jaren 1958-67 met de Berliner Philharmoniker (1/4/7/8/9) en het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks (2/3/5/6) voor het label DG, en in de zeventiger jaren alle negen met de Staatskapelle Dresden voor EMI. In die tijd labels met het gezag van de Statenbijbel. Ook in Nederland was Jochum geen onbekende: na de dood van Eduard van Beinum aanvaardde hij samen met Bernard Haitink de leiding van het Concertgebouworkest. Gedenkwaardige concerten waren het gevolg, waaronder zesendertig uitvoeringen van de Matthaeuspassion. Jochum was in Holland een instituut.

Voor de interpretatie van Bruckners symfonieën heeft Jochum een overbruggende rol gespeeld, die we door de successsen van jongere maestri dreigen te vergeten. Jochum volgde een generatie dirigenten op die het doodnormaal vonden om Bruckners partituren te spelen in versies die totaal corrupt waren. Met de beste bedoelingen maakten Bruckners helpers Schalk en Loewe nieuwe redacties van zijn symfonieën, die in druk verschenen en zo de wereld over gingen. Pas in de jaren dertig kwam er een beweging op gang die ging zoeken naar de oorspronkelijke bedoelingen van de meester. Dat was geen sinecure, want Anton Bruckner had lemen voeten. Bij de minste kritiek sloeg onzekerheid toe en ging ‘der Tonerl’ aan het schaven en slijpen. Ontelbare versies van sommige van zijn negen ‘kinder’ zijn het gevolg, en Brucknerianen doen niets liever dan elkaar om de oren slaan met hun voorkeuren voor de ene of de andere. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Robert Haas aan een Urtext, die ingegeven werd door het idee dat Bruckner een onvervalste Ariër was, iets dat je van Mahler niet kon zeggen. Na de oorlog werd Haas uiteraard gebrandmerkt als Hitlervriend, en mocht Leopold Nowak zijn plaats innemen. Nowak was een uiterst correcte musicoloog, die neutrale keuzes maakte waar Haas liever zijn fantasie botvierde. Uiteindelijk is Nowak de favoriete redacteur van het merendeel van de dirigenten geworden, zo ook van Jochum.

Jochum overleed een kwarteeuw geleden, en sindsdien hebben talloze Brucknerdirigenten hun bevindingen aan de catalogus toevertrouwd. Het Concertgebouworkest maakt onder chefdirigent Bernard Haitink nog steeds indruk met zijn integrale voor Philips. Opvolger Chailly gaf een lyrische visie voor het label Decca, en Mariss Jansons is druk bezig met een super audio registratie op het eigen label van het orkest. Een apart geval is de dirigerende goeroe Sergiu Celibidache: hij vond zichzelf de beste Brucknerdirigent aller tijden, maar weigerde categorisch om plaatopnamen te maken – uit monetaire overwegingen waren zijn nakomelingen hem te slim af. Zijn live-opnamen zijn in grote getale in omloop, zo ook de belangrijkste Bruckners. Celibidache was een maestro die lak had aan conventies en in de allereerste plaats zijn eigen emoties in de etalage zette. Dat resulteert in epaterende vondsten die met Bruckner niets meer te maken hebben. Eén voorbeeld: het coda van de finale van de vierde symfonie wordt onder zijn baton opgerekt tot zes maal de door Bruckner beoogde lengte. Van de zorgvuldig geplande ‘periodenbau’ van de arme Bruckner blijft op deze manier geen spaan heel.

Wanneer de rook rond Bruckner en de ontelbare edities die zo langzamerhand de ronde doen is opgetrokken zal de levenservaring van Eugen Jochum in dit repertoire nog steeds recht overeind staan. Natuurlijk zijn orkesten in de loop van de verstreken decennia beter gaan spelen, en hadden de koperblazers van de Staatskapelle Dresden niet de allerbeste instrumenten. Niettemin is het goed om te zien dat Brilliant Classics het stokje heeft overgenomen van EMI, en de registratie uit Dresden na een eerdere licentie nu (in 2013) opnieuw uitbrengt. Het formaat waarin dat gebeurt is een forse verbetering op de vorige: in plaats van het onhandige gestuntel met negen plastic jewelcases in een kartonnen schuif krijgen we tien kartonnen wallets aangeboden in een stevig plat doosje – zoiets noemt men een clamshell. De tiende wallet bevat de nulde symfonie in de interpretatie van Stanislaw Skrowaczewski. De hoogbejaarde ‘Skrowa’ (1923) heeft in Nederland als Brucknerinterpreet eveneens de nodige sporen nagelaten (niet in de laatste plaats bij het Radio Symfonie Orkest), en zorgde bovendien voor een indrukwekkende Bruckner integrale op het label Oehms. Deze Nulde met het Rundfunk Orchester Saarbrücken is daarvan een licentie.

In de wonderlijke wereld die ‘muziekindustrie’ heet, worden nog steeds ‘deals’ gesloten, ondanks het feit dat er voor de aandeelhouders geen lol meer aan is. Zo kocht Warner onlangs de labels EMI en Virgin op, en dus verschijnt Jochums registratie met de Dresdener Staatskapelle opnieuw, op het label Warner. We kunnen nu kiezen uit twee uitgaven. De prijs is hetzelfde, maar Brilliant levert als bonus de Nulde.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links