CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, mei 2020

Walter Braunfels - Orchestral Songs (1)

Braunfels: Uit de opera Die Vögel: Vorspiel und Prolog der Nachtigall & Abschied vom Walde (Schlussgesang des Hoffegut) op. 30 nr. 1 en 3 – Zwei Hölderlin Gesänge (voor bariton en orkest) op. 27 – Auf ein Soldatengrab (voor bariton en orkest) op. 26 – Don Juan op. 34

Valentina Farcas (sopraan, Nachtigall), Klaus Florian Vogt (tenor, Hoffegut), Michael Volle (bariton), Staatskapelle Weimar o.l.v. Hansjörg Albrecht

Oehms Classics OC 1846 • 68' •
Opname: sept. 2015, Redoute Theater, Weimar (D)

   

Walter Braunfels (Frankfurt, 1882) was afkomstig uit een kunstzinnig en intellectueel milieu. Vader Ludwig vertaalde Cervantes in het Duits (‘Der sinnreiche Junker Don Quichote von der Mancha' wordt nog steeds herdrukt) en moeder was een achternicht van Louis Spohr – zij onderhield contacten met Franz Liszt en Clara Schumann. Van haar ontving hij zijn eerste pianolessen. De jonge Walter studeerde rechten totdat hij geconfronteerd werd met de opera Tristan und Isolde. De dirigent van die voorstelling, Felix Mottl, zou zijn belangrijkste mentor worden. Braunfels ontwikkelde zich al snel tot een geducht pianovirtuoos, en sloot zijn recitals als regel af met een improvisatie. Compositie studeerde hij Ludwig Thuille. Hij maakte kennis met Bertel, dochter van de beroemde beeldhouwer Adolf von Hildebrandt, en toen nog verloofd met Wilhelm Furtwängler. Dat Bertel zijn echtgenote werd heeft de relatie met Furtwängler niet verstoord – die heeft zich zolang het mocht voor het werk van Braunfels ingezet (ondanks het feit dat Braunfels Furtwängler als componist niet wist te waarderen). Braunfels maakte pijlsnel een carrière als operacomponist waarin hij alleen vergeleken kan worden met Richard Strauss en Franz Schreker. Bruno Walter dirigeerde in 1920 de première Die Vögel, een werk dat binnen korte tijd honderden malen werd uitgevoerd.

Braunfels leefde van 1882 tot 1954 en werd tweemaal hard geconfronteerd met een wereldoorlog. De Eerste ondervond hij aan den lijve, toen hij in 1918 als frontsoldaat gewond raakte. Maar het ergste moest nog komen, toen hij in 1933 als ‘Halbjude' ontslagen werd als directeur van het Conservatorium van Keulen. Braunfels emigreerde niet, maar trok zich terug aan de Bodensee. Hoewel hij na de oorlog door de burgemeester van Keulen, Conrad Adenauer, teruggehaald werd in zijn oude functie, bleek zijn loopbaan als componist onherstelbaar beschadigd.

Deze cd is de eerste van een tweetal dat uitkwam op het label Oehms, onder de titel Orchesterlieder. De werken op dit deel ontstonden tussen 1913 en 1924, in de jaren dat de roem van Braunfels ondanks alles als een komeet omhoogschoot. In 1913 begon hij aan zijn bekendste opera, Die Vögel, naar een eigen libretto, gebaseerd op de komedie van de Griekse dichter Aristophanes. Al in 1913 componeerde Braunfels het begin en het slot van de opera als zelfstandige orkestliederen, die in omgekeerde volgorde als opus 30:1 (de slotscène) en 30:3 (voorspel en proloog) werden uitgegeven. Voor hun plek in de opera behoefden ze slechts minieme aanpassingen. De Hölderlin-Lieder en Auf ein Soldatengrab ontstonden in de tijd die Braunfels in militaire dienst doorbracht, maar nog voor zijn ervaringen aan het front in het laatste oorlogsjaar 1918.

De cd sluit af met een orkestwerk, Don Juan, opus 34 – Eine klassisch-romantische Phantasmagorie für grosses Orchester über die ‘Champagne Arie' aus Mozarts Oper Don Giovanni. Phantasmagorie staat voor ‘een reeks echte of verbeelde voorstellingen, als in een droom'. In de praktijk blijkt het bij Braunfels te gaan om een Introductie, thema en zeven variaties, op de aria Fin ch'han dal vino. Een uiterst virtuoze partituur van ruim een half uur, die een regelrecht vervolg lijkt op de Fantastische Erscheinungen über ein Thema von Hector Berlioz, opus 25, geschreven in de oorlogsjaren 1914 tot 1917, en hier besproken. Phantasmagorie of Phantastische Erscheinungen, het is zonneklaar dat Braunfels een meester was in de variatiekunst – in dat opzicht zou aan het rijtje van Braunfels' voorbeelden Wagner, Humperdinck en Richard Strauss, voor Max Reger een plek mogen worden ingeruimd.

Hansjörg Albrecht (1972) is actief als dirigent zowel als concertorganist, en heeft van het label Oehms flink de ruimte gekregen, met zo'n 25 cd's, zowel spelend als dirigerend. Zijn eigen visie als organist op de vier Clavierübungen van Sebastian Bach heb ik hier besproken. Dit is de derde cd die hij presenteert met werken van Walter Braunfels, naast het tweede deel van de orkestliederen verscheen een uitgave met het Concert voor orgel, knapenkoor en orkest, opus 38, gekoppeld met nog een variatiewerk, de Symphonische Variationen über ein altfranzözisches Kinderlied, opus 15, een vroeg werk uit 1909.

Albrecht heeft zich weten te verzekeren van de medewerking van drie uitstekende vocalisten, waarvan de beide mannen sterrenstatus hebben. Bariton Michael Volle zorgt voor een heroïsche en doorvoelde voordracht van de oorlogsliederen. Klaus Florian Vogt tekent voor een lyrisch meeslepende Hoffegut uit Die Vögel, met een exemplarische dictie. Coloratuursopraan Valentina Farcas is superieur in de stratosferische partij van Die Nachtigall. Albrecht heeft de beschikking over de Staatskapelle Weimar, waar ooit Franz Liszt de scepter zwaaide. Samen geven ze een modeluitvoering van de ‘Mozart-Variaties' – een werk dat beslist beter verdient dan de radiostilte waar het al meer dan een eeuw onder lijdt.

Walter Braunfels heeft de afgelopen decennia een inhaalslag gemaakt in de cd-catalogus, maar zijn werk is nog steeds niet opnieuw doorgedrongen tot de concertpodia. Die ene magistrale uitvoering van zijn Te Deum door het Groot Omroepkoor en het Radio Filharomonisch Orkest onder Markus Stenz in de ZaterdagMatinee van 23 april 2011 blijft een eenzaam hoogtepunt in mijn concertherinneringen. Jammer.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links