CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, december 2018

 

Brahms: Ein deutsches Requiem op. 45

Carolyn Sampson (sopraan), André Morsch (bariton), Cappella Amsterdam, Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Daniel Reuss
Glossa GCD 921126 • 71' •
Live-opname: 23 mei 2018, De Doelen, Rotterdam

 

Op 13 augustus 2014 overleed Frans Brüggen, het gezicht van de frisse kijk op de muziek van de achttiende eeuw. Vier jaar na zijn verscheiden mogen we vaststellen dat zijn grote vriend en toeverlaat, Sieuwert Verster, zijn erfenis niet alleen goed heeft bewaard, maar ook heel subtiel wegen heeft ingeslagen die door Frans zorgvuldig gemeden zouden zijn. De succesvolle semi-geënsceneerde uitvoeringen van Mozarts Cosi fan Tutti en Le Nozze di Figaro springen direct in het oog, maar ook een werk als Ein Deutsches Requiem valt in die categorie.

De keuze voor deze koerswijziging hangt uiteraard samen met de zoektocht naar nieuwe dirigenten. Frans Brüggen werkte graag samen met Cappella Amsterdam, en na zijn overlijden lag het voor de hand om Daniel Reuss, de chef van het koor, uit te nodigen voor het orkest. De samenwerking bleek succesvol in Beethovens Missa Solemnis, en dus lag de stap naar Brahms en zijn Deutsches Requiem voor de hand.

Een concertuitvoering van Ein Deutsches Requiem is altijd een indrukwekkende ervaring – de meeslepende kracht van Brahms' inspiratie is overweldigend. Om die ervaring te vertalen naar een opname die in de huiskamer hetzelfde effect sorteert is doodgewoon onmogelijk. De catalogus vermeldt tientallen opnamen, en ze zijn volgens de kenners allemaal even schitterend, maar wie doorleest vermoedt onraad. De belangrijkste component is het koor. In de tijd van Brahms was er nog geen sprake van beroepskoren; daarvoor in de plaats zorgden honderden enthousiaste amateurzangers voor een niet bepaald verzorgde koorklank. Zelfs in de opnamen die grootheden als Von Karajan en Klemperer realiseerden klinkt iets van die ruwe manier van zingen door. Het heeft lang geduurd voordat professionele koren met een onberispelijke klank – vergelijkbaar met een toporkest – zich gingen manifesteren. De publieke omroep heeft daarin een belangrijke rol gespeeld, maar inmiddels staan ‘radiokoren' ook onder druk. Een beroepskoor van tachtig zangers onderhouden was vijftig jaar geleden niets bijzonders, maar die tijden zijn voorbij.

Gaandeweg ontstond het besef dat men met een kleine groep geschoolde zangers een beter resultaat kan bereiken dan met een horde amateurs, en zo zijn we langzamerhand gewend geraakt aan uitvoeringen van het ‘grote' koorrepertoire door kleinere ensembles van het formaat Cappella Amsterdam. Op deze opname zijn ze met veertig man sterk vertegenwoordigd, tegenover een orkest dat drie contrabassen in de bezetting telt. Let wel: in de standaardbezetting van een symfonieorkest tellen we acht contrabassen – met stalen snaren.

Er zijn maar weinig opnamen gemaakt van Ein Deutsches Requiem die gebruik maken van tijdeigen instrumenten: Roger Norrington, Philippe Herreweghe en John Eliot Gardiner kan ik ter plaatse verzinnen; in ieder geval zijn ze de belangrijkste. Norrington valt af door zijn stugge kijk op Brahms, Gardiner is vanzelfsprekend publiekslieveling nummer één, maar zijn koorklank is door en door Engels en past niet bij Brahms. Herreweghe is de ideale dirigent in dit repertoire, een geboren koordirigent die zich met een orkest kan verstaan. Hij kiest wel voor een stevige strijkersbezetting, uitgaande van vijf contrabassen. Met slechts drie contrabassen in de bezetting van het Orkest van de Achttiende Eeuw is de toon gezet. Hier wordt Brahms gezongen en gespeeld in gelijke decibels, niet met de bedoeling om te overdonderen, maar om te ontroeren – ook in het forte. Daniel Reuss is de gekozen man om dat ideaal in klank om te zetten. Carolyn Sampson, André Morsch, Cappella Amsterdam, het Orkest van de Achttiende Eeuw en Daniel Reuss laten horen dat het kan. Als de hemel van Frans bestaat hoort hij dat het goed is.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links