CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, november 2016

 

Brahms: Ein deutsches Requiem op. 45

Renate Arends (sopraan), Thomas Oliemans (bariton), Rotterdam Symphony Chorus, Residentie Orkest o.l.v. Jan Willem de Vriend

Challenge Classics CC72738 • 61' • (sacd)

Live-opname: 21 en 24 januari 2016, Zuiderstrandtheater, Scheveningen

   

We vergeten het maar al te gemakkelijk, maar Ein Deutsches Requiem is niet het werk van de gerijpte Johannes Brahms zoals we die kennen van talloze afbeeldingen, getooid met oudtestamentische baard en goede sigaar. Het is het werk van een achtentwintig jaar jonge man. Veel ervaring in het omgaan met grote vormen had Brahms nog niet opgedaan: zijn eerste symfonie kostte hem duizend hoofdbrekens en zou er uiteindelijk pas komen toen hij 43 jaar was. Ook het Requiem kwam niet zonder slag of stoot tot stand, hij besteedde er uiteindelijk zeven jaar aan voordat de eerste uitvoering in de Dom van Bremen plaatsvond op Goede Vrijdag 1868. En ook toen was het stuk nog niet echt af, de dood van zijn moeder in 1865 liet diepe sporen na, en werd pas na de première verwerkt in de etherische sopraansolo van het vijfde deel: 'Ihr habt nun Traurigkeit'. Daarmee was het werk voltooid en kon de eerste complete uitvoering plaatsvinden, op 18 februari 1869, in het Gewandhaus te Leipzig. In de tien daaropvolgende jaren kwam het internationaal al tot zo'n honderd uitvoeringen, een ongehoord succes voor een tot dan toe nauwelijks bekende componist. Brahms was van de ene op de andere dag een grote toondichter die al snel gerekend werd tot de drie B's: Bach, Beethoven en Brahms. Hij kon zijn baard laten staan.

De architectuur van het zevendelige Requiem is symmetrisch. De delen 1 en 7 spiegelen elkaar in tekstbehandeling en karakter. Beiden zijn gebaseerd op gerelateerde teksten: uit de Bergrede 'Zalig zijn die treuren' en uit Openbaringen 'Zalig zijn de doden'. Niet te ontkennen vallen de parallellen met het Latijnse Requiem, de drie lettergrepen van Selig sind zouden ook op de tekst Requiem gezongen kunnen worden. Het laatste deel is niet anders dan de Lutherse tegenhanger van Et lux perpetua - het eeuwige licht. Deel 2 en 6 eindigen met een grandioze fuga, geïnspireerd door Georg Friedrich Händel. In de delen 3 en 5 komen de solisten aan het woord, waarbij de baritonsolo het aardse geploeter en de sopraan het hemelse leven verklankt. Centraal staat het vierde deel dat in tekst zowel als muziek het karakter heeft van een berceuse, een wiegelied dat droomt van het hiernamaals. Ook de thematiek is hecht doortimmerd, zo zijn de drie beginnoten van de kooropening de exacte omkering van de eerste drie noten van de fuga van het zesde deel. Bovendien zijn belangrijke thema's direct te herleiden tot de koraalmelodie Wer nur den lieben Gott lässt walten , duidelijk waar te nemen in de grote climax van het tweede deel op de tekst 'Denn alles Fleisch es ist wie Gras'.
Maar boven alles schreef Johannes Brahms een Requiem voor gewone mensen, een Requiem over leven, liefde, verlies en troost. Een Requiem dat een arm om je schouder zingt.

De uitvoeringspraktijk van het Requiem is er een waarin we gewend zijn geraakt aan koren van minimaal honderd zangers en een orkest dat bezet is met acht contrabassen. Dat zet de toon voor het begin van het werk, met een sonore diepte die nog versterkt wordt door de uitdrukkelijke aanwezigheid van de contrafagot. Voeg daaraan toe een frasering waarin het legato tot wet is verheven en we zijn aangekomen in de uitvoeringspraktijk die waarschijnlijk al snel na het ontstaan van het werk de norm is geworden en tot op de dag van vandaag standhoudt. Ze wordt gepersonifieerd in de drie registraties van Herbert von Karajan, en een opvallende karaktereigenschap daarbij is de wollige koorklank, kenmerkend voor het tijdsbeeld en door velen mateloos bewonderd. Toch heeft er de laatste decennia van de vorige eeuw in die koorklank een verschuiving plaatsgevonden. De koren werden kleiner, ze werden jonger, en vooral: ze werden semi-professioneel. Daarmee werden koren als Cappella Amsterdam, het Arnold Schönberg Chor in Wenen en het London Sinfonietta Chorus geduchte concurrenten van grootheden als de Konzertvereinigung Wiener Staatsopernchor of het Chor der St. Hedwigs Kathedrale.

In Nederland kennen we de Rotterdamse Laurenscantorij als een voortreffelijk kamerkoor, en hier maken we kennis met een uitgebreide versie ervan: het Rotterdam Symphony Chorus. Het staat onder leiding van dezelfde koordirigent, Wiecher Mandemaker. De koorklank is niet massief, maar doorzichtig. De zangers zijn jong en de klank is navenant. Een van de grote problemen van beroepskoren is nog steeds niet opgelost: niet iedereen kan tot zijn zevenenzestigste doorzingen alsof er niets aan de hand is. Zo zijn onze stembanden nu eenmaal niet geschapen. Waar men in de balletwereld al heel lang oplossingen voor deze problematiek heeft uitgewerkt is er in de wereld van de professionele koorzang nog nauwelijks iets gebeurd.

Voor dirigent Jan Willem de Vriend is deze koorklank duidelijk bepalend geweest voor zijn visie op het Requiem. Zijn orkest is er niet alleen in omvang op aangepast (ik tel vijf contrabassen), ook de speelwijze en boven alles de manier van fraseren getuigen van een aanpak waarin plaats is voor zonlicht in de klank en ruimte in de frasering. Eén voorbeeld: wanneer in deel vijf op de tekst 'Todt, wo ist dein Stachel?' de kolossale akkoorden op het woord 'Todt' steeds sterker herhaald worden, weet de Vriend dat een miniem uitstellen van zo'n akkoord een ongelofelijke, bijna theatrale spanning veroorzaakt. Dat hij bovendien de beschikking heeft over een al even jeugdig klinkende Thomas Oliemans is een prachtgeschenk. De etherische sopraansolo in het vijfde deel blijft daar helaas bij achter, maar dat zal niet de eerste keer zijn. Treedt maar eens in de sporen van Arleen Auger - het is weinigen gegeven.

Er is nog een nieuw aspect aan deze onderneming: dit is de eerste opname in het nieuwe (tijdelijke) onderkomen van het Residentie Orkest, het Zuiderstrandtheater in Scheveningen. Net als een paar jaar geleden bij de tussentijdse opvang in de Utrechtse 'Rode Doos' een noodsprong waarbij iedereen zijn adem inhield. Het blijkt reuze mee te vallen, zowel in de zaal als luisterend naar de opname. Al met al een riskant ondernemen dat voor alle betrokkenen ongemeen spannend zal zijn geweest, maar dat uiteindelijk indrukwekkend heeft uitgepakt. Dat dirigent Wiecher Mandemaker twee dagen na deze concerten de kans kreeg om in de Rotterdamse Laurens deze uitvoering te herhalen was volkomen terecht.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links