CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, mei 2016

 

Brahms: Serenade nr. 1 in D, op. 11 - Variaties op een thema van Haydn op. 56a

Residentie Orkest o.l.v. Jan Willem de Vriend

Challenge Classics CC72692 63'

Opname: augustus/september 2015, Schönbergzaal, Koninklijk Conservatorium, Den Haag

   

Jan Willem de Vriend heeft na tien jaar chefdirigentschap in Enschede markante sporen nagelaten, op het podium zowel als in de platencatalogus. Een complete registratie van de symfonieën van Beethoven en Mendelssohn zijn wapenfeiten waar menig orkest jaloers op zal zijn, zeker met een unaniem enthousiaste ontvangst in binnen-en buitenland. Inmiddels heeft De Vriend zijn werkterrein verlegd naar de randstad, om zich bij het Residentie Orkest als een van de beide chefdirigenten bezig te houden met het klassieke repertoire. Aardige bijkomstigheid is dat hij zowel bij het Orkest van het Oosten als bij het Residentie Orkest in de sporen treedt van Jaap van Zweden, met wie hij in een grijs verleden samen op vioolles zat. Van Zweden nam in Den Haag niet alleen een Beethoven integrale op voor het label Philips (de eerste Nederlandse opname in sacd), maar ook zorgde hij bij het label Brilliant voor een registratie van de Brahms symfonieën, waarbij drie van de vier gespeeld werden door het RO, en alleen de Tweede door het Radio Filharmonisch Orkest.

Of er plannen bestaan voor een Brahms-integrale is niet duidelijk, maar hier geeft De Vriend een opvallende voorzet in de vorm van een werk dat met enige fantasie de Nulde van Brahms genoemd zou kunnen worden: de Eerste Serenade. De werktitel die de componist er in zijn correspondentie met Joseph Joachim aan gaf was Symfonie-Serenade. Vanwege de opbouw in zes delen, met twee Scherzo's en een Menuet is het uiteindelijk een Serenade geworden. Gezien de enorme koudwatervrees die Brahms beving bij de gedachte aan een symfonie een begrijpelijke gang van zaken. Betreurenswaardig is echter dat de titel kennelijk dirigenten en programmeurs ervan weerhoudt om het werk de kansen te geven die het verdient. Wanneer Brahms zich beperkt zou hebben tot vier delen en het een symfonie zou hebben durven noemen zou het naar alle waarschijnlijkheid vele malen vaker op concertprogramma's prijken en zijn opgenomen.

Wanneer het om de interpretatie van de orkestwerken van Brahms gaat bestaat er voor dirigenten een toverwoord: Steinbach. Fritz Steinbach (1855-1916) was chefdirigent van de Meininger Hofkapelle en een goede vriend van Brahms. Brahms was op zijn beurt zeer gesteld op dit orkest, dat in de jaren na Brahms' overlijden grote toernees door Europa ondernam met de complete symfonieën - ook Nederland werd met een bezoek vereerd. De bevindingen van Steinbach zijn door zijn leerling Walter Blume in 1933 gepubliceerd in een boekje met de titel 'Brahms in der Meininger Tradition'. Een schatkamer aan informatie voor dirigenten die zich willen informeren over de ideeën die de componist doorgaf aan zijn vriend Steinbach. Op deze site heeft Hartmut Haenchen er een lezenswaardig artikel aan gewijd (klik hier). De kern van zijn betoog komt erop neer dat de omvang van het orkest er bij Brahms niet in de eerste plaats op aankomt, maar dat de frasering van doorslaggevend belang is. Niet de 'unendliche Melodie' met bijbehorend legato zoals gepropageerd door Richard Wagner, maar de klassieke frasering zoals we die kennen van Mozart tot Mendelssohn past bij de schrijfwijze van Brahms. Uit de muziekpraktijk van de afgelopen honderd jaar, en met name de vastgelegde resultaten, valt af te leiden dat Wagner het maar al te vaak van Brahms heeft gewonnen.
Een prachtig voorbeeld van dat laatste kunt u zelf vaststellen door het begin van het Adagio van de Serenade zoals hier vastgelegd te vergelijken met de opname die Bernard Haitink met het Concertgebouworkest maakte in 1976. Afhankelijk van persoonlijke voorkeuren zal de frasering van De Vriend door de één als amechtig worden gekararkteriseerd, en die van Haitink door de ander als stroperig. Feit is dat beide mannen rasmuzikanten zijn die borg staan voor een boeiende luisterervaring en dat Brahms' partituur kennelijk voor zeer uiteenlopende uitleg vatbaar is. Wat betreft de orkestbezetting houdt De Vriend zich aan het model Meiningen, met tien eerste violen tot vier contrabassen. De partituur draagt nadrukkelijk de toevoeging 'Serenade für grosses Orchester', maar dat geldt uiteraard ook voor de symfonieën, die Brahms in Meiningen met tien violen, maar bij andere orkesten met het dubbele aantal uitvoerde. Dat Brahms de voorkeur gaf aan natuurhoorns wordt hier eveneens in praktijk gebracht.

Wat u uit bovenstaande bespiegelingen mag afleiden is, dat hier sprake is van een Brahms zoals u hem nog niet hebt gehoord. De Vriend is vanuit zijn achtergrond als concertmeester geboren om een eigen strijkersklank te genereren, iets wat eveneens bij Jaap van Zweden het geval is. Waar dat bij Van Zweden resulteert in een bijne griezelige perfectie zoekt De Vriend het in de kleur die hij zich bij de noten voorstelt. Dat was al overduidelijk in zijn Enschedese Beethovens, en dat komt ook hier weer prominent tot klinken. Het is niet alleen het (bijna) ontbreken van vibrato dat de klank bepaald, het is ook de variatie in de plaatsing van de strijkstok die een veel groter scala aan kleuren teweegbrengt dan we gewend zijn. Tempi zijn daarbij in de snelle delen niet overdreven afwijkend van de norm, maar het Adagio klokt hier vier minuten sneller in dan bij Haitink - maar dat kan ook niet anders bij deze manier van fraseren. Het eerste deel lijkt op de teller bij Haitink sneller (10 tegen 13 minuten) omdat de expositie niet wordt herhaald.

Als tweede werk is gekozen voor de Haydn-Variaties, ook alweer een stuk dat voor velerlei uitleg vatbaar is. In de Furtwängleriaanse opvatting een werk waarin orkestrale virtuositeit kan schitteren, bij De Vriend een orkestratie van een werk dat zijn oorsprong vond in een compositie voor twee piano's, en waar de kunst van het componeren het wint van de kunst van het orkestreren. Nu het Residentie Orkest geen eigen zaal meer heeft is de opname gemaakt in de Schönbergzaal van het Koninklijk Conservatorium, een zaal die er binnenkort ook niet meer zal zijn. De omvang van deze zaal past echter perfect bij deze orkestbezetting en zal het Meininger ideaal van Johannes Brahms heel dicht op de huid kruipen. Een uitgave die niet alleen nieuwsgierig maakt naar een vervolg, maar ook prikkelt om de verrichtingen van De Vriend in Den Haag met belangstelling te volgen.

______________________
Deze cd is ook besproken door Emanuel Overbeeke (klik hier)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links