CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, september 2011

 

 

Brahms: Vioolconcert in D, op. 77 - Strijksextet nr. 2 in G, op. 36

Op. 77: Isabelle Faust (viool), Mahler Chamber Orchestra o.l.v. Daniel Harding

Op. 36: Isabelle Faust en Maria Kretz (viool), Stefan Fehlandt en Pauline Sachse (altviool), Christoph Richter en Xenia Jankovich (cello)

Harmonia Mundi HMC 902075 • 75' •

Klik hier voor het interview met Isabelle Faust


Het Vioolconcert en het Tweede strijksextet van Johannes Brahms op één cd: het is een ongebruikelijke combinatie, maar het is ook de welbewuste keuze van Isabelle Faust. Ze licht dat als volgt persoonlijk toe: Brahms schreef het concert voor zijn vriend Joseph Joachim, en Joachim adviseerde Brahms over de (on)mogelijkheden van de viool. Wat dat met het Tweede Strijksextet te maken heeft maakt ze niet duidelijk. In de toelichting wordt wel uitgebreid ingegaan op de liefde van Johannes voor de zangeres Agathe von Siebold, die hem inspireerde tot het schrijven van dit meesterwerk. Brahms verknoeide het bij Agathe door de mededeling: ‘Ich liebe dich, ich muss dich wiedersehen! Aber Fesseln tragen kann ich nicht!’ Agathe had het helemaal gehad en Johannes kreeg de bons. Hij schreef de ervaring van zich af door Agathes naam te vertalen in muziek: A-G-A-D-H-E. Dat werd het hoofdthema van het eerste deel van zijn Sextet.

Terug naar het Vioolconcert en Joseph Joachim. Daar wacht ons alweer een verrassing, want Isabelle kiest ervoor om niet de bekende cadens van Joachim in het eerste deel te spelen, maar die van Busoni. Net als in de cadens die Beethoven voor de pianobewerking van zijn vioolconcert schreef, spelen de pauken hier een belangrijke rol. Maar wat nog belangrijker is: Busoni componeerde een overgang van de cadens naar Brahms’ origineel, voor het strijkorkest. Zowel de aanwezigheid van de pauken als die overgang manifesteren zich als vreemde eenden in de bijt van Brahms, maar de kennismaking is zonder meer boeiend. Voor vioolliefhebbers: Ruggiero Ricci maakte in 1991 een cd van het Vioolconcert voor het label Biddulph (LAW 002), waarop vijftien verschillende cadensen te horen zijn – en ze kunnen stuk voor stuk ingeprogrammeerd worden.

Het is even wennen aan deze nieuwkomer, want de opname zit erg dicht op de musici, met als gevolg een klankbeeld dat nogal droog en daardoor erg direct is: eerder geurend naar beuken- dan mahoniehout. Dat heeft ook te maken met de orkestbezetting, want het Mahler Chamber Orchestra heeft uiteraard een bescheiden strijkersbezetting. Wanneer de soliste inzet, is die echter niet naar voren gehaald, zoals we gewend zijn van meer dan een halve eeuw opnametraditie. Zodra het oor gewend is aan dit perspectief luisteren we naar een afgeslankte Brahms, technisch onberispelijk en muzikaal tot in de vingertoppen. Dat is dan wel weer wel geheel in overeenstemming met de persoonlijke toelichting van Isabelle Faust. Ze wil een interpretatie die de solist niet afzet tegen, maar integreert in de orkestklank. Brahmswürdig noemt ze dat zelf. Mooi woord.

In de begeleidende tekst en in diverse interviews (klik hier) maakt Isabelle Faust veel werk van haar tempokeuze in het laatste deel. Zij geeft aan een sneller tempo te wensen dan te doen gebruikelijk is – namen worden niet genoemd. Dat vraagt om een vergelijking. Enig speurwerk levert het volgende resultaat, waarbij uitloopstilte is geëlimineerd, en alle delen zijn meegenomen.

Isabelle Faust 20:26 8:50 7:30
Jascha Heifetz 18:47 8:11 7:16
Thomas Zehetmair 20:54 8:48 7:42
Nathan Milstein 19:27 8:55 7:33
Christian Tetzlaff 21:27 8:59 7:35
Ginette Neveu 22:16 9:51 7:54

Dit soort lijstjes moet uiteraard altijd met de bekende korrel zout worden genomen, zeker in het eerste deel, waar de lengte van de cadens flink roet in het eten gooit. Faust is niet de enige die Joachims cadens links laat liggen, ook Jascha Heifetz doet het anders, die speelt zijn eigen versie – net als Nathan Milstein. Maar in het derde deel, met zijn constante tempo, geeft de relatie tussen tempokeuze en tijdsduur wel degelijk een goed vergelijkend beeld, zeker als men in aanmerking neemt dat geen van bovengenoemde opnamen inklokt boven zeven minuten plus. Daarvoor moeten we terug naar 1947, toen Yehudi Menuhin zijn beroemde opname maakte met Wilhelm Furtwängler (acht minuten rond). De verschillen zijn minimaal, en u ziet het, niet Faust, maar Heifetz is de snelheidsduivel. Die opname dateert uit 1974, en eerlijk is eerlijk, wat betreft de beweerde snelheid van Isabelle Faust is er niets nieuws onder de zon. Ook niet tegenover jongere collega’s. De enige die afwijkt van de norm is Ginette Neveu; haar opname is niet alleen de oudste, maar ook de langzaamste – we hebben het hier over de ontroerende live-opname uit Hamburg (1948), met dirigent Hans Schmidt-Isserstedt, een document dat alle technische beperkingen achter zich laat door een violiste die haar ziel kan laten zingen.

De vraag blijft hangen of je een vioolconcert niet met nòg een vioolconcert moet combineren, met een scherp oog op het koperspubliek, maar Faust laat horen dat het anders kan. Voor het Sextet heeft zij zich omringd met gelijkgestemde muzikanten, die zich duidelijk door haar hebben laten inspireren om een Brahmswürdige interpretatie neer te zetten. Een interpretatie die zich onderscheidt door gebruikmaking van een nieuwe kritische editie van dit werk bij de muziekuitgever Bärenreiter, onder redactie van Christopher Hogwood. Dat maakt nieuwsgierig, en die nieuwsgierigheid wordt in allerlei kleine details beloond. Aandacht voor het detail is hier de hoofdzaak, in tegenstelling tot de breedvoerige retoriek die dit werk zo gemakkelijk symfonische proporties kan doen aannemen. Een toegevoegd pluspunt is de ragzuivere intonatie van Isabelle Faust en haar muzikale makkers. Norbert Brainin en Yehudi Menuhin lieten in bejubelde opnamen als eens horen dat zuiver intoneren kennelijk een bijzaak is – als het grote gebaar maar klopt.

Isabelle Faust wil ons een andere Brahms laten horen. Het is haar gelukt. Brahmswürdig.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links