CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juli 2016

 

Anima Eterna Brugge- Jos Van Immerseel

Berlioz: Symphonie fantastique op. 14 - Ouverture Le carnaval romain op. 9

Debussy: Prélude à l'après-midi d'un faune - La Mer - Images pour orchestre

Ravel: Boléro - Pavane - Pianoconcert in D voor de linkerhand - Rapsodie espagnole - La valse - Ma mère l'oye

Moesorgski/Ravel: Schilderijen van een tentoonstelling

Poulenc: Concert voor twee piano's- Suite française - Concert champêtre

Claire Chevallier (Ravel) en Jos van Immerseel (piano), Katerina Chrobokova (cembalo), Anima Eterna Brugge o.l.v. Jos van Immerseel

Alpha 225 65' + 77' + 48' + 72' + 58' (5 cd's)

Opname: 2005 (Ravel), 2009 (Berlioz, Poulenc), 2012 (Debussy), 2013 (Moesorgski), Concertgebouw Brugge

   

Op 9 november 2015 vierde Jos van Immerseel zijn zeventigste verjaardag. Op zijn veertigste verzamelde hij de kern van het ensemble dat twee jaar later de onvermijdelijke naam Anima Eterna zou krijgen. In 1990 leidde dat tot een boeiende integrale van de Pianoconcerten van Mozart, gespeeld op een fortepiano en door Jos van geïmproviseerde cadenzen voorzien. 'Schubert zonder bril' was de titel van een project voor het seizoen 1996/7, resulterend in een integrale opname van de symfonieën. In 2003 werd Anima Eterna het huisorkest van het Concertgebouw te Brugge en vanaf dat moment werden romantische en twintigste-eeuwse componisten stelselmatig aan het repertoire toegevoegd. De dertigste verjaardag van het ensemble wordt op deze uitgave uitbundig gevierd met een heruitgave van het Franse repertoire dat in de loop van het voorbije decennium is opgenomen. Voor een uitgebreide bespreking van de Symphonie fantastique door Aart van der Wal kunt u hier terecht.

Om voor de verandering eens te beginnen met een detail dat meestal het sluitstuk van een bespreking is: de opnamekwaliteit van deze box is werkelijk verbluffend. Geen wonder, we zien dat het team van Tritonus aan het werk is geweest, bestaande uit producer Stephan Schellmann en technicus Markus Heiland (Andreas Neubronner bij Berlioz). Alleen al om die reden zijn deze cd's stuk voor stuk het beluisteren meer dan waard. Een ongelofelijke doorzichtigheid wordt gepaard aan een heerlijk ruim en breed klankbeeld waarin vooral het slagwerk een smakelijk vorkje mee mag prikken (Debussy, La Mer). Een ander detail is de vermelding van alle deelnemende musici, bij ieder werk weer opnieuw, en tot twee cijfers achter de komma. Om de belangrijkste er uit te pikken: Midori Seiler is de hooggewaardeerde concertmeester - samen met Van Immerseel maakte ze een pracht van een dubbelaar met Vioolsonates van Mozart.

De inspanningen van Immerseel en zijn muzikale makkers richten zich op het reconstrueren van de klank zoals de componisten die voor oren zal hebben gezweefd. Een opgave die zich feitelijk beperkt tot het kiezen van een instrumentarium. Al het andere is gissen, en wanneer het dat niet is doen we het toch. Want laten we eerlijk zijn, welke dirigent houdt zich aan de hoorbare voorbeelden die componisten zelf nagelaten hebben? Zoals Igor Strawinsky het slot van de Vuurvogel dirigeerde moet toch door iedere zichzelf respecterende maestro opgemerkt zijn? Toch is er maar een enkeling die dat ter harte neemt. Of de tempi die Lutoslawski (toch geen slechte dirigent) neemt in zijn eigen Concert voor orkest? Over Rachmaninov hoeven we het dan al helemaal niet meer te hebben.

En dan het hedendaagse orkestgeluid, dat volkomen gebukt gaat onder de dominantie van het strijkorkest. Dat komt op zijn beurt weer door het veel grotere volume dat moderne blaasinstrumenten produceren. Met als gevolg dat een zichzelf respecterend orkest niet zonder gezichtsverlies op het podium kan verschijnen in een bezetting die kleiner is dan zestien eerste violen tot en met acht contrabassen, of er nu Brahms of Mahler op de lessenaars staat. De veelgehoorde klacht dat alle orkesten sinds enige decennia hetzelfde zijn gaan klinken, van Omsk tot Seattle ligt niet aan jetsettende dirigenten - een argument dat ik helaas te vaak tegenkom - maar doodgewoon omdat alle blazers hun instrumenten bij dezelfde winkel kopen. Met andere woorden: de fabrieksmatige productie van muziekinstrumenten, in de negentiende eeuw ingezet door de firma Steinway.

Maar nu de proef op de som. Want wat betekent de Immerseelse benadering bijvoorbeeld in het licht van het bovenstaande? Luisteren dus. Naar het Concert voor twee piano's of het Concert champêtre voor klavecimbel van Francis Poulenc, in mei 1957 opgenomen in de Salle Wagram te Parijs, met het Orchestre de la Société des Concerts du Conservatoire onder dirigent Pierre Dervaux, met de componist zelf als één van de twee pianisten. Dichter bij de bron kun je niet komen. Dan blijkt dat er toch nog genoeg verschillen overblijven. Tempi zijn identiek, maar de openingsmaten laten horen dat de frasering van Immerseel korter (dus 'moderner') is en dat de hoorns een geprononceerd vibrato hebben, want zo speelden ze toen in Parijs, en o, wat ergerden we ons daaraan.

Kortom, het is alles zeer betrekkelijk, en het blijkt gevaarlijk om gemakkelijke conclusies te trekken. Sinds Pierre Boulez zijn verafgode interpretaties van Debussy liet horen wordt ons verteld dat er geen betere manier is om Debussy te leren kennen. Echt niet? Ik ga niemand wijsmaken dat Jos Van Immerseel het beter doet, maar waarom vergeten we zo gemakkelijk dat er ooit een man leefde die Debussy vanuit zijn tenen begreep: Jean Martinon. Wat Boulez en Immerseel gemeen hebben is de onstuitbare behoefte om met frisse moed aan te trappen tegen ingesleten gewoontes. Dat Jos Van Immerseel er zijn levenswerk van maakte, en daarbij en passant drie eeuwen overbrugde is een bewonderenswaardig credo. Dat hij daarbij als instrumentalist èn als dirigent schitterend muziek weet te maken is een kolossale prestatie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links