CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, februari 2017

 

Bach – Orgelwerken Vol 1 – Masaaki Suzuki

Bach: Toccata & Fuga in d, BWV565 – Pastorale in F, BWV590 – Partita ‘O Gott, du frommer Gott' BWV767 – Fantasia in G, BWV 572 – Preludium & Fuga in g, BWV535 – Canonische variaties over ‘Vom Himmel Hoch' BWV 769 – Preludium & Fuga in e, BWV548

Masaaki Suzuki (orgel)

BIS-2111 • 80' • (sacd)

Opname: juli 2014, Martinikerk, Groningen

   

Dirigent, klavecinist en organist Masaaki Suzuki (1954) werd geboren in het Japanse Kobe. Het bijzondere aan zijn jeugd is een christelijke opvoeding, en daarmee samenhangend het feit dat hij vanaf zijn twaalfde als kerkorganist werkzaam was. De laatste fase van zijn scholing doorliep hij aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, waar hij klavecimbel studeerde bij Ton Koopman, orgel bij Piet Kee en improvisatie bij Klaas Bolt. Daardoor spreekt hij niet alleen een aardig woordje Nederlands, maar is hij ook uitstekend op de hoogte van ons orgellandschap. Suzuki heeft mondiale roem verworven met zijn vertolkingen van de cantates van Bach, een integrale die hij opnam voor het label BIS. Hij werd bij het voltooien van die klus niet gehinderd door afhakende cd-labels, een obstakel dat zowel Ton Koopman als John Eliot Gardiner behoorlijk wat hoofdbrekens gekost heeft. Suzuki had het geluk dat hij niet afhankelijk is van zijn label, doordat zijn activiteiten ondersteund worden door het instituut waarvoor hij werkzaam is, de Universiteit voor vrouwen van Shoin in Kobe.

Nog voor de voltooiïng van zijn cantateproject begon Suziki aan een nieuwe uitdaging: de registratie van de complete orgelwerken van Johann Sebastian Bach. Voor het eerste deel koos hij het Schnitger orgel van de Groningse Martinikerk, het orgel waarvan Wim van Beek meer dan zestig jaar organist is geweest. Uit de pneumatische puinhoop die Van Beek daar in 1956 aantrof herrees in 1984 een schitterend gerestaureerd instrument, algemeen erkend als een van de mooiste orgels die Nederland – en de wereld – rijk is. Wim van Beek maakte in de navolgende decennia verschillende cd's op zijn orgel, daarbij steevast bijgestaan door opnameman Jan Willem van Willigen. Een aardige bijzonderheid is dan ook dat in het colofon bij deze cd speciale dank wordt uitgesproken aan ‘Mr. Jan-Willem van Willegen'. Zou hij adviezen hebben verstrekt over de plaatsing van de microfoons? Intrigerend.....

Dat laatste is uiteraard een van de belangrijkste hordes die moet worden genomen bij het vastleggen van de orgelklank. Niet alleen het ongebreidelde dynamische spectrum, maar vooral de overvloedige akoestiek zijn factoren waarmee men moet leren omgaan, en ze zijn even belangrijk, zo niet belangrijker, dan het spel van de organist. Iets te veel doorloop in de akoestiek en de melodievoering verzuipt onherroepelijk in de nagalmsoep - een syndroom dat veel mensen verre houdt van het fenomeen orgel. In de Groningse Martinikerk loop je tegen beide op: een kolossaal instrument dat zich manifesteert in een riante nagalm.

Suzuki heeft met zijn uitvoeringen van de Bachcantates één ding zonneklaar gemaakt: hij is een perfectionist. Niets mag de absolute trouw aan de notentekst verstoren, ongeacht tempo of uithoudingsvermogen, zij het longcapaciteit of vingervlugheid. Het resultaat maakt om die reden altijd diepe indruk, vooral waar snelheid een belangrijke rol speelt. De precisie waarmee Suzuki zijn concept realiseert is indrukwekkend, maar toch verlang je soms naar de jongensachtige veerkracht die zijn leraar Ton Koopman aangeboren lijkt. Een kleine beetje zuurstof, even achterom kijken – de mens is geen machine.

De organist Suzuki is zeker geen machine, maar hij beschikt wel over een indrukwekkende vingervlugheid. Een paar werken die hij hier speelt zijn ook door zijn leraar Piet Kee opgenomen (CHAN 0510), en vergelijken leert dat Suzuki een volle minuut weet af te schaven van de bijna tien minuten die zijn mentor nodig had voor het Pièce d'orgue. In het Preludium en Fuga BWV548 zijn het zelfs twee minuten, en daar valt bovendien op dat Kee van registratie wisselt, terwijl Suzuki aan zijn eenmaal gekozen klankenpalet vasthoudt. Suzuki kiest ervoor om de koraalpartita ‘Ach Gott, du frommer Gott' tot het centrum van zijn programma te maken. Een rustpunt waarin de ervaringen die hij heeft gewonnen uit de omgang met de cantates mogen opbloeien. Hier worden organist en instrument tot een organische eenheid, en maken we kennis met de onuitputtelijke klankschoonheid van een handvol registers, perfect gedoseerd en steeds weer verrassend. Ook op deel twee wordt dat idee vastgehouden, een koraalpartita als centraal rustpunt.

Een uiterst virtuoze en tegelijkertijd sobere aanpak kenmerkt het spel van Suzuki. Die soberheid uit zich in de terughoudende omgang met versieringen van eigen hand. Daarin volgt hij zijn orgeldocent Piet Kee, en niet zijn klavecimbelleraar Ton Koopman, die in dat opzicht veel exuberanter te werk gaat. De opname is aan de zachte kant van de dynamiek werkelijk schitterend, in de forsere klankmassa's is het ook door de hoge snelheid soms even moeilijk om het stemmenweefsel te volgen. De uitgebreide en vakkundige toelichting is van Albert Clement, registraties van de afzonderlijke werken worden niet vermeld. Tot slot een groot compliment voor de krachten die verantwoordelijk zijn voor stemming en onderhoud van dit schitterende instrument. Zelden hoor je een orgel dat zo tot in de perfectie is gestemd en geïntoneerd. Hulde!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links