CD-recensie

 

© Paul Korenhof, mei 2024

Wagner: Parsifal

Jonas Kaufmann (Parsifal), Elina Garanca (Kundry), Ludovic Tézier (Amfortas), Georg Zeppenfeld (Gurnemanz), Wolfgang Koch (Klingsor), Stefan Cerny (Titurel) e.a.
Wiener Staatsoper
Dirigent: Philippe Jordan
Sony 19439947742 (4 cd's)
Opname: Wenen, 4 & 11 april 2021

 

Een van de mooiste momenten in mijn leven was het begin van mijn eerste voorstelling in Bayreuth in 1975 met de première van Parsifal. De lichten waren langzaam gedoofd en vanuit de onzichtbare orkestbak verspreidde zich een piano van violen, celli, klarinetten en fagotten in een tergend langzaam crescendo door de verduisterde zaal. Het was onvergetelijk en regelmatig bekruipt mij weer kippevel als ik die eerste maten hoor. Zo'n ervaring had ik echter niet toen ik begon aan deze live-opname uit Wenen, Hier leek die opening beduidend minder mysterieus dan ik gewend was, zeker van mijn favoriete versies onder Knappertsbusch (waarbij ik niet zou kunnen kiezen tussen de Bayreuther opnamen uit 1951, 1962 en 1964) en Karajan.

Een van de belangrijkste pijlers onder de partituur van Parsifal is de 'unendliche Melodie', door Wagner afgekeken van de door hem hoog bewonderde Bellini. Het geheim ligt in de suggestie dat een melodie al begonnen is voordat die tot ons bewustzijn doordringt, en zich voortzet als die voor het oor niet meer hoorbaar is. Dat leidt toteen indruk van lange, ongrijpbare lijnen die de luisteraar als het ware de muziek intrekken. "Wagner ist eine Droge" - een veelgehoord cliché, maar dat werd het alleen maar doordat er een sterke kern van waarheid in schuilt. En het uit zich na de erotiserende climaxen van Tristan und Isolde vooral in de bijna hallucinerende werking van de 'oneindige melodieën' in Parsifal.

Wagner's Bühnenweihfestspiel hoeft van mij beslist niet gewijd te klinken, het theater is tenslotte geen kerk! De muziek vraagt echter wel om een mysterieuze, tamelijk ongrijpbare sfeer en daarbij spelen die 'oneindige melodieën' een belangrijke rol, een effect dat ik hier een beetje mis. Niet alleen het voorspel, maar de hele uitvoering onder Philippe Jordan komt daardoor wat zakelijk en analytisch over, een beetje zoals de Bayreuther opname onder Pierre Boulez, maar toch anders. Boulez roept ondanks zijn hoge tempi (met 95-59-65 de snelste Parsifal die ik ken) meer sfeer op dan Jordan, die met 101-68-74 ruim 25 minuten meer nodig heeft. Het is of het orkest in de nieuwe opname vooral de gebeurtenissen muzikaal kleurt en begeleidt, en minder in dienst staat van sfeer en spanning. Die indruk wordt versterkt door kleine wisselingen in het tempo, terwijl Wagner's muziek vooral in het eerste bedrijf juist gebaat is bij een consequent, onveranderlijk doorstromen.

Het tweede bedrijf, waarin we ons in een andere wereld bevinden, komt aanmerkelijk beter van de grond, maar in het derde had ik toch graag weer meer sfeer gehoord, iets waar ook de tekst om vraagt. Daarbij mis ik vooral de suggestie van iets onaards in de klank van het koper, niet alleen tijdens de beide graalscènes, maar ook elders in de partituur, en vooral daar waar het graalmotief als leidmotief wordt gebruikt. Dat Jordan ondertussen aan het Weense orkest vier uur lang schitterend spel ontlokt, is een ander verhaal: als het puur op klank, op het musiceren aankomt, is dit zonder meer een uitvoering op hoog niveau!

Toen ik begon met het beluisteren van de cd's, wist ik niets over de productie die aan de opname ten grondslag lag, maar de totale sfeer van de uitvoering deed vermoeden dat de muzikale interpretaties niet los konden worden gezien van de voorstelling als geheel. Dat werd daarna bevestigd door het lijvige boekje waarin de cd's zijn uitgebracht, en waarin behalve veelzeggende foto's ook de synopsis is opgenomen die Kirill Serebrennikov bij zijn enscenering geschreven heeft. En omdat die synopsis veel verklaart, geef ik daarvan een korte samenvatting voordat ik aandacht besteed aan de solistische bijdragen.

Het eerste bedrijf speelt in het strafkamp Monsalvat waar Amfortas, een door iedereen gerespecteerde gevangene maar geobsedeerd door de stem van zijn vader Titurel, gebukt gaat onder zijn neiging tot zelfverwonding. Gurnemanz, een al wat oudere gevangene, is uitgegroeid tot vertrouwenspersoon van de overige gedetineerden, terwijl de journaliste Kundry vrij toegang heeft tot het strafkamp waar zij mag fotograferen en ongehinderd medicijnen kan uitdelen. In een nieuwe gevangene, Parsifal, ziet Gurnemanz een mogelijke nieuwe leider, maar de jongeman kan niet meegaan in de droom van de anderen over een 'verlosser' en een 'Heilige Graal', zodat Gurnemanz moet concluderen dat hij zich in hem heeft vergist.

Het tweede bedrijf speelt op de redactie van het tijdschrift waar Kundry werkt onder leiding van hoofdredacteur Klingsor (in deze versie kennelijk ongecastreerd) met wie zij een verhouding heeft gehad. Na zijn vrijlating meldt Parsifal zich hier voor een fotosessie, waarbij Kundry hem bevrijd van de opdringerige avances van het overige vrouwelijke personeel. Als zij op haar beurt probeert hem te verleiden, beseft Parsifal dat hij - evenals vóór hem Amfortas - door haar gemanipuleerd wordt. Zij dringt zich steeds heftiger aan hem op en dreigt zelfs met geweld, maar uiteindelijk weet hij zich van haar te bevrijden.

Het derde bedrijf speelt weer in het inmiddels opgeheven strafkamp, waar Gurnemanz en de andere gevangenen zijn blijven wonen. Als de ouder geworden Parsifal daar bij toeval ook weer belandt, voelt deze dat aan als een thuiskomst. Door alles wat hij intussen heeft meegemaakt, kan hij nu wel meegaan in het onder de voormalige gedetineerden heersende geloof in de komst van een verlosser en daarmee lijkt hij de juiste man om hun leider te worden als nieuwe 'Koning van de Heilige Graal'.

Het is duidelijk dat bij dit extreme voorbeeld van regietheater niet eens meer van 'fricties met de tekst' gesproken kan worden. Een dieptepunt bereikt de regie echter in de schildering van Kundry als journaliste die vrijelijk met haar fototoestel en medicijnen ('aus Arabia hergeführt'!) in het strafkamp kan rondlopen.

Nog vreemder wordt het in het tweede bedrijf, als de onzinnige relatie tussen Klingsor's woorden en zijn functioneren in het niet valt bij de daarop volgende scènes van Kundry. Wie haar 'Ich sah das Kind' en het web dat zij daarna om Parsifal tracht te weven, vergelijkt met het verhaaltje van Serebrennikov over een wulpse fotografe die een mooie jongeman in bed wil krijgen, kan alleen maar verbijsterd zijn. Hoe is het mogelijk dat een regisseur deze onzin bedenkt? En hoe is het mogelijk dat een instituut als de Weense Staatsopera dit accepteert?

Onvermijdelijk werkt dat alles door op de solistische vertolkingen, waarbij ik voorbijga aan enkele minder geslaagde vertolkingen in de kleinere rollen. Beperken we ons tot het vocale niveau, dan horen we in de hoofdrollen zo ongeveer de beste zangers die er momenteel voor te vinden zijn, die binnen de regie ook stuk voor stuk uitmuntende prestaties leveren. Zo is er meteen in het begin een prachtig solide Gurnemanz van Georg Zeppenfeld, rond van toon, trefzeker en met een voortreffelijke dictie.

Door een nadrukkelijk vocaal 'acteren' overtuigt hij echter niet als de 'éminence grise' van een congregatie van graalridders en later als toegewijde hoeder van het troosteloos geworden graalgebied. Door het meegaan in het regieconcept mist zijn karakterisering niet alleen de autoriteit van een Ludwig Weber of een Hans Hotter, maar ook de combinatie daarvan met het bel canto van Kurt Moll, wiens fenomenale legato zorgde voor een hoogtepunt in de Wagner-zang van de vorige eeuw.

In de titelrol van Jonas Kaufmann ontbreken door hetzelfde concept de naïveteit, de eenvoud en daarmee de suggestie van jeugdigheid die nodig zijn voor een 'reiner Tor'. Eerder wekt hij door zijn voortdurend vocaal acteren en accentueren de indruk van een activist of een politieke dissident. Die aanpak, met voor iedere frase een 'interpretatie', leidt hier helaas tot een stilistisch aanvechtbare fragmentatie van Wagner's melodische lijnen.

Iets dergelijks hoor ik ook bij de Amfortas van Ludovic Tézier, hoewel die op zich heel doorleefd klinkt, prachtig van klank en knap van frasering. Hij schildert ons echter een drama vol persoonlijke emoties met een op heftige gebeurtenissen gerichte frasering en dat past toch niet zo goed bij een 'beschouwende' opera waarin de dramatiek minder in de handeling ligt dan in de daarachter schuilgaande ideeën. Puur vanuit het werk bezien kon eigenlijk alleen de felle, bijna bezeten Klingsor van Wolfgang Koch mij helemaal overtuigen.

Een hoofdstuk apart is het aandeel van Elina Garanca, vocaal de mooiste Kundry sinds Christa Ludwig, rond van toon, warm van timbre, en zingend met een jeugdige gloed op basis van een gezonde bel cantotechniek. Subliem, maar verder? Nadat Renata Scotto zich aan het einde van haar carrière ook aan Parsifal had gewaagd, vertelde zij mij dat Kundry voor haar de fascinerendste en vooral de meest complexe rol was die zij ooit had gezongen, "alsof zij in iedere scène een ander mens is". Dat complexe hoor ik niet bij dit roldebuut van Garanca in deze berucht moeilijke partij. Zij zingt Kundry zoals zij een even sublieme vertolkte Eboli of Amneris zou zingen, maar ik mis de intensiteit waarmee Martha Mödl, Christa Ludwig of Waltraud Meier er een fascinerend maar ongrijpbaar personage met meerdere gezichten van maakte.

Al met al kan ik alleen maar concluderen dat de regisseur ervoor verantwoordelijk is, dat een gelaagd en uitermate complex werk hier ondanks een goede dirigent, een prachtig orkest en een sterrenbezetting uiteindelijk resulteert in een oninteressant muziekdrama. En helaas blijkt daarmee ook hoe sterk het regietheater in een opera op de muziek kan doorwerken. Dat het geheel fraai werd opgenomen en eveneens fraai werd uitgegeven, is daarbij een schrale troost


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links