CD-recensie

Haitinks Meistersinger op cd

 

© Paul Korenhof, augustus 2008


 
   

Wagner: Die Meistersinger von Nürnberg.

John Tomlinson (Hans Sachs), Gwynne Howell (Veit Pogner), Thomas Allen (Sixtus Beckmesser), Anthony Michaels-Moore (Fritz Kothner), Gösta Winbergh (Walther von Stolzing), Herbert Lippert (David), Nancy Gustafson (Eva), Catherine Wyn-Rogers (Magdalene), Michael Druiett (Nachtwächter) e.a., koor en orkest van het Royal Opera House Covent Garden o.l.v. Bernard Haitink.

Royal Opera House ROHS008 (4 cd's)

Opname: 12 juli 1997


In november 1993 was ik bij een van de eerste voorstellingen van een spectaculaire nieuwe productie van Die Meistersinger von Nürnberg van de Royal Opera in Covent Garden. De regisseur was Graham Vick, de dirigent was Bernard Haitink, de bezetting bevatte diverse namen uit de toenmalige zangerselite, met als grootste verrassing de Beckmesser van Thomas Allen, en het succes was enorm. Ik heb die productie daarna nog verschillende malen mogen zien, onder meer bij de legendarische 'laatste avond' op 12 juli 1997, toen het Royal Opera House bijna twee jaar dicht zou gaan voor een ingrijpende verbouwing. De sloop was al in volle gang, logistiek was het theater al dermate ontregeld dat de première van een nieuwe productie van Macbeth enige weken eerder moest worden omgezet in een semiconcertante uitvoering, maar voor de Meistersinger werd werkelijk alles uit de kast gehaald. Voor de Meistersinger én voor Bernard Haitink. Boven de Royal Opera - en vooral boven het orkest - waren op dat moment donkere economische wolken samengepakt, waarop Haitink zijn volle gewicht in de strijd had gegooid om 'zijn' orkest te redden. Dat zou hem ook lukken, maar op dat moment zag het er nog somber uit en die sluitingsavond werd daardoor tevens een massale adhesiebetuiging van het Londense publiek aan het adres van de Hollandse 'music director'.

Dat die Londense Meistersinger zo'n indruk maakte, wil niet zeggen dat alles volmaakt was, en dat laatste gold vooral het decor van Richard Hudson. De eerste akte was een ietwat kil geheel, waarin regisseur Graham Vick de meesterzangers neerzette in een benauwd aandoende halve cirkel met weinig mogelijkheden voor een levendige bijeenkomst. Wel had hij er merkbaar alles aan gedaan om ook de kleinste meesters een eigen karakter te geven, maar misschien kwamen juist daardoor de 'grote drie' te langzaam uit de verf.

Ondanks zijn stentorstem en de gave ieder woord op de achterste rij verstaanbaar te laten overkomen zette John Tomlinson bij die eerste reeks voorstellingen niet meteen de wijze Sachs neer die overal het middelpunt wordt, en dat laatste werd extra in de hand gewerkt door een gebrek aan legato, waardoor de melodische lijnen van zijn interrupties er onvoldoende uitsprongen. De Pogner van Gwynne Howell kwam langzaam uit de verf, terwijl Beckmesser door Thomas Allen bij die eerste serie nog iets te karikaturaal-pedant werd neergezet, maar wel consequent als een intelligent en erudiet mens, die zich vanuit die optiek verheven voelde boven de anderen. Dat Haitink het geheel goed in zijn greep had, bleek echter vanaf de eerste maat, en ook dat de regie van Vick in opstelling en vlakverdeling erop gericht was de muziek optimaal te laten uitkomen.

In de tweede akte was het wel vanaf het eerste moment hele­maal raak, ondanks het feit dat de voor­treffelijk zingende Deon van der Walt door zijn lengte de illusie van David als 'leerjongen' ietwat verstoorde. Met zijn Wahn-monoloog presenteerde Tomlinson zich als een Sachs op hoog niveau, Nancy Gustafson was een slanke Evchen met een zilveren lyriek, Anne Howells en hoewel Gösta Winbergh niet de meest poëtische Walther neerzette, paste hij uitmuntend in het geheel.

De ster van de avond was echter Bernard Haitink en toen hij vóór het begin van III de bak in kwam, werd hij terecht begroet met een applaus zoals ik dat zelden of nooit na een pauze heb horen opklinken. Hij verrichtte wonde­ren met het orkest, liet tijdens de Wahn-monoloog de strijkers zingen met een to­verkracht die in de dromerige magie van de slotmaten een hoogtepunt zou vinden, en haalde keer op keer instrumentengroepen (prachtige houtblazers!) naar boven op een manier zoals ik dat bijvoorbeeld van Carlos Kleiber gewend was. Absoluut onvergetelijk werd de Prügelszene, door Vick opgebouwd met een sterk centraal gerichte kracht: het achtertoneel kwam omhoog om de suggestie van een woe­lende menigte zo groot mogelijk te maken (maar ook om iedereen perfect uitzicht op de dirigent te geven) en koor en solisten stonden zoveel mogelijk samengebald in het midden van het gebeuren, terwijl het eigenlijke gewoel suggestief verzorgd werd door acrobaten eromheen. Letterlijk zelfs, want ze bevonden zich niet alleen op de toneelvloer, maar ook uit ramen in de zijdecors en in het plafond kwamen Neurenbergers in nachtkledij tevoorschijn (soms met nog slechts met één hand 'binnenboord' aan het plafond hangend!).

Het absolute hoogtepunt vormde echter de derde akte vanaf de opkomst van Evchen tot na het kwintet. Voorspel, scène met David en Flieder-monoloog verliepen op een niveau dat aansloot bij dat van het tweede bedrijf en riepen weer eens verbazing op over het hoge peil dat het orkest van Covent Garden in de samenwerking met zijn chefdirigent bereikt had. In de scènes met Walther en Beckmesser leek Haitink even afstand te nemen, maar het was of de confrontatie Sachs-Evchen bij iedereen iets losmaakte en het daarop volgende halve uur behoort tot de mooiste momenten die ik ooit in het theater heb meegemaakt. De vertwijfeling van Sachs, het plotseling volwassen worden van Evchen (naast haar is Walther eigenlijk maar een jan-doedel), de Tristan-parallel en meteen daarna de hemelse schoonheid van het kwintet: opera op zijn best en Haitink op zijn grootst in twintig minuten klinkende emoties.

Die Meistersinger von Nürnberg is echter vooral een ensemblestuk en terecht trachtte de Royal Opera steeds zoveel mogelijk dezelfde bezetting op de been te brengen. De uitvoering van 12 juli 1997 verschilde zelfs maar op één enkel belangrijk punt van die van vier jaar eerder. David was nu Herbert Lippert, na de legendarische Gerhard Unger misschien wel de grootste specialist voor die rol uit de laatste halve eeuw en vooral zijn scène met Sachs aan het begin van het derde bedrijf was een juweeltje van zang- en fraseringkunst. Van dat laatste werd ik me weer goed bewust tijdens het luisteren naar de cd-box die het Royal Opera House onlangs heeft uitgebracht. Het is een live-opname die tot stand kwam op een gedenkwaardige en ook wel emotionele avond. Toneelgeluiden, kleine oneffenheden, reacties van het publiek, het hoort er ook allemaal bij, maar het totaal blijkt nog even levend, levendig, intens en meeslepend als ik mij die avond herinnerde.

Als ik deze opname nu leg naast de BBC-uitzending van 1993, blijkt ook duidelijk hoezeer de voorstelling gegroeid was, want de komst van Lippert is niet de enige verbetering. John Tomlinson is ook hier geen legatospecialist, maar zijn gevoel voor lijnen is duidelijk groter geworden, waarschijnlijk omdat hij meer is gaan 'zingen' en minder is gaan 'interpreteren'. In de tussenliggende jaren was de rol van Hans Sachs hem kennelijk in het bloed gaan zitten, en dat is te horen! Iets dergelijks geldt voor Thomas Allen, die eveneens minder 'speelt' en meer 'zingt', wat zijn Beckmesser op één lijn brengt met de portrettering die Hermann Prey indertijd in Bayreuth presenteerde, waarmee beiden in feite navolgers werden van Peter van der Bilt, die ooit in Wenen een van de eerste 'serieuze' vertolkingen van de ongelukkige Stadtschreiber neerzette.

Tegenover de nog altijd even betoverende Eva van Nancy Gustafson stond de Walther van de veel te vroeg overleden Gösta Winbergh. Komend vanuit de lyriek van Mozart en Donizetti was hij langzaam in het Wagner-vak gegroeid, en wat in 1993 nog enigszins onwennig klonk, was uitgegroeid tot een gerijpte presentatie die recht deed aan alle nuances van zijn rol. In de overige partijen horen we het toenmalige ensemble van Covent Garden met 'huisbas' Gwynne Howell als een sonore Pogner, Anthony Michaels-Moore als een markante Kothner en Catherine Wyn-Rogers als een mooi lyrische en net niet te oude Magdalene.

De belangrijkste redenen om tot aanschaf van deze set over te gaan vormen echter de directie van Haitink en natuurlijk het spel van het orkest van Covent Garden. Vloeiende strijkersklanken, genuanceerde blazers, sonoor samenspel, doorzichtige tutti en een breed uitwaaierende maar ook voldoende transparante opname maken het luisteren op zich al tot een genoegen. De directie van Haitink zet de kroon op het geheel. In Wagner voelt hij zich thuis, dat was al duidelijk bij zijn eerste Holländer in het begin van de jaren zestig en bij het CO bevestigde hij dat met die éne, zwaar onderschatte lp met orkestrale delen. Inmiddels zijn we zover dat we kunnen stellen dat de Meistersinger meer dan enig ander werk - met uitzondering misschien van Pelléas et Mélisande - bij uitstek 'zijn' opera genoemd kan worden. Ik onthoud mij verder van details. Met de laatste Bayreuther Parsifal van Knappertsbusch (Orfeo) en die van Karajan (DG), de Tristan van Carlos Kleiber (Bayreuth 1976), Goodall (Decca) en Karajan (EMI), de Ring van Keilberth, de 'losse' Bayreuther Götterdämmerung van Knappertsbusch (Testament) en de Lohengrin van Kempe gaat ook deze Meistersinger alleen al vanwege Haitink op de stapel opnamen voor het befaamde onbewoonde eilandje. En nu maar hopen dat daar géén telefoon is!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links