CD-recensie

Een witte raaf als zwanenridder

 

© Paul Korenhof, april 2017

 

Wagner: Lohengrin

Falk Struckmann (Heinrich der Vogler), Klaus Florian Vogt (Lohengrin), Camilla Nylund (Elsa von Brabant), Evgeny Nikitin (Friedrich von Telramund), Katarina Dalayman (Ortrud), Samuel Youn (Heerrufer) e.a.
Groot Omroepkoor
Koor van De Nationale Opera
Koninklijk Concertgebouworkest
Dirigent: Sir Mark Elder
RCO 17002 (3 cd's/sacd's)
Opname: Amsterdam, 18 & 20 december 2015

   

Eigenlijk had ik de afgelopen week iets heel anders moeten doen, maar de binnenkomst van deze uitgave gooide heel wat roet in het eten. Maar dan moet ik wel meteen toegeven dat 'roet' niet bepaalde een passende metafoor is voor een zwanenridder met smetteloos blazoen in een vertolking door een zanger die inderdaad als witte raaf bestempeld mag worden. Dat ik mij bijna een volle week met deze Lohengrin heb beziggehouden, waarbij de derde cd letterlijk dagen lang in de speler bleef zitten, was ook alleen maar een puur genoegen, ondanks het feit dat de uitvoering niet op alle punten even smetteloos overkwam.

Met alle respect voor een KCO dat de sterren van de hemel speelt onder leiding van een dirigent die bij mij hoog aangeschreven staat, draait deze opname toch echt om Klaus Florian Vogt, momenteel 'de Lohengrin van dienst' zoals het Duitse blad FonoForum hem ooit betitelde. Het is niet zijn eerste opname van dit werk (in mijn kast bevonden zich al twee andere cd-uitgaven waaronder een opname van een ZaterdagMatinee onder leiding van Jaap van Zweden, een dvd uit Bayreuth en diverse andere audio en video-opnamen), maar het is wel zijn 'mooiste', waarbij ik 'mooiste' bewust tussen aanhalingstekens zet. Zijn zang klinkt hier zelfs bijna te mooi, vooral in de werkelijk bloedmooi gezongen derde akte met als hoogtepunt een op een fluwelen mezza voce gebaseerde Gralserzählung.

Eigenlijk zou ik natuurlijk moeten vallen over een weliswaar ragfijn maar net iets te lang (super)pianissimo op 'Taube', maar het effect, zeker na het eraan voorafgaande diminuendo, geeft die duif wel precies de mystieke uitstraling die erbij hoort. En dan denk ik ook maar aan Kiri Te Kanawa die ooit na een volgens de dirigent veel te lang aan gehouden topnoot, haar schouders ophaalde met een laconiek "Well, if you have it, let it go!" Daarbij heb ik nergens het idee dat Vogt uit pure ijdelheid laat horen waartoe hij in staat is. Tijdens de concerten paste het helemaal in de wisselwerking tussen zanger, orkest, publiek en akoestiek, want de Grote Zaal speelde ook een belangrijke rol, zoals iedereen kan beamen die een van deze concerten bijwoonde.
Het bijzondere is simpelweg dat Vogt hier iets doet wat we tegenwoordig nog maar zelden horen: zingen alsof het een even natuurlijke manier van communiceren is als spreken, en vaak zelfs schijnbaar op spreekniveau. In een tijd waarin veel zangers met opgefokte volumes wedstrijden met het orkest aangaan in de trant van 'anything you can do I can do louder', demonstreert Vogt dat dit helemaal niet hoeft. Een goede zanger met een goede techniek kan ook in grote zalen met grote orkesten wel degelijk helder, op 'normaal volume' zingen. En als dat gebeurt, horen we wat hem echt tot een witte raaf maakt: een dictie waarin ieder woord verstaanbaar is, waarbij hij de hele partij vanuit de tekst kan fraseren.

De vergelijking gaat natuurlijk mank, maar toch kun je stellen dat Vogt zijn Gralserzählung zingt zoals Tito Schipa tachtig jaar geleden 'Una furtiva lagrima' zong, met een intimiteit die we ook later nog hoorden bij zangers als Ferruccio Tagliavini, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en de jonge Luciano Pavarotti, maar die tegenwoordig uitgestorven lijkt. Leren zangers het niet meer? Of ligt het vooral aan de dirigenten die zangers steeds meer als instrumentalisten behandelen en niet meer lijken te beseffen dat een tekst zingen iets anders is dan noten spelen? Eén ding staat voor mij vast: als Vogt dit kan in Lohengrin, Parsifal en Die Meistersinger von Nürnberg , kunnen andere zangers in ander repertoire het ook. En als zij het niet doen, is kritiek terecht, op de zangers en op de zangleraren, coaches, dirigenten en regisseurs die er niet om vragen, maar ook op een publiek dat niet meer weet hoe het hoort en dat harder lijkt te brullen naarmate de zangers harder brullen.

Of Mark Elder er in Amsterdam om vroeg, weet ik niet, maar de hele uitvoering straalt wel uit dat hij ervan genoot, zoals hij ook zelfs genoot van de klank van het KCO die hem soms eveneens verleidt tot bijvoorbeeld een uitgesponnen pianissimo, onder meer aan het slot van het eerste voorspel. Of hij er bij de andere solisten om vroeg, is evenmin na te gaan, al was het maar omdat de mentaliteit van zangers niet in het kader van een paar repetities veranderd kan worden. Een zanger die laat horen dat ook hij wel degelijk weet hoe het hoort, is Falk Struckmann, wiens koning in autoriteit en tekstbehandeling de titelrol van Vogt weinig ontloopt. Jammer dat zijn bariton in de loop der jaren wel gezakt is, maar niet zover dat er een Wagner-bas uit tevoorschijn kwam. Zijn Gurnemanz bij DNO in 2012 was op dat punt al problematisch, maar voor Heinrich der Vogler is hij louter vocaal ontoereikend en lijkt hij zelfs de mindere van de minder scherp fraserende maar wel ronder klinkende Heerrufer van Samuel Youn.

Na enkele minder positieve ervaringen ben ik bijzonder te spreken over Camilla Nylund die iets van het stralend extatische (zo u wilt: geëxalteerde) mist wat hoort bij de psychisch toch ietwat labiele Elsa. In Amsterdam wist zij bijzonder overtuigen en via de cd's doet zij dat weer doet, vooral tijdens de scène in het Brautgemach, waar zij meer dan sommige andere sopranen de verwijdering tussen Elsa en Lohengrin hoorbaar maakt.

Meer moeite heb ik met het paar Ortrud-Telramund, hier vertolkt door twee krachtige stemmen, maar iets te veel in de stijl die bij Vogt's Lohengrin zo weldadig afwezig is. Wie bekend is met bijvoorbeeld de nog altijd toonaangevende opname van Christa Ludwig en Dietrich Fischer-Dieskau, weet dat bij deze twee rollen niet alleen het grootste venijn in de tekst zit, maar dat ook voor de luisteraar tekstbegrip essentieel is om deze beide personages en hun onderlinge verhouding te begrijpen.
Zonder die tekst lijken beiden doorsnee slechteriken, terwijl Wagner beiden heel wat complexer maakte. Dat geldt voor de als krijgsman krachtige maar als mens veel zwakkere Telramund, een willoos werktuig in de handen van de jongere, door meerdere driften bezeten Friese koningsdochter, maar ook voor zijn echtgenote, alleen is van de tekst van Ortrud bij Katarina Dalayman nauwelijks iets te verstaan. Met haar krachtige sopraan lijkt Dalayman deze van dramatiek geladen Wagner-partij moeiteloos de baas te kunnen en louter klankmatig is haar vertolking zeker indrukwekkend. Het lijkt echter of zij veel meer de noten zingt dan de tekst, en juist doordat de woorden niet helder gearticuleerd worden, met een juiste verhouding van klinkers en medeklinkers, glijdt zij ook vaak van de ene noot naar de andere, terwijl een beter dictie die noten veel meer het effect zou geven van giftige pijlen die op haar tegenspeler of tegenspeelster worden afgevuurd.
Evgeny Nikitin scoort op dit punt hoger, maar ook bij hem is duidelijk dat Duits niet zijn eigen idioom is, en dat hij in die taal ook niet zo goed thuis is geraakt als al die, vooral Amerikaanse zangers die in de tweede helft van de vorige eeuw naar Duitsland kwamen en daar vaak jarenlang vast aan een Duits operagezelschap verbonden waren. Bovendien klinkt hij te dreigend, te veel als de sombere, op wraak beluste strijder en bijna als een doorsnee operaschurk, terwijl het fascinerende aan Telramund juist zijn menselijkheid is die hem nog meer tot slachtoffer van Ortrud maakt dan Elsa.

Het opvallende aan de uitvoering als geheel is de dramatiek waarvan de muziek doortrokken is. Verantwoordelijk daarvoor is op de eerste plaats Mark Elder, die de klankrijkdom van het KCO combineert met een sterk theatrale sfeer. Die sfeer komt ook naar voren uit de koorscènes, waarbij zeker meespeelt dat het onvolprezen Groot Omroepkoor het samenwerkt met het koor van DNO, misschien wel het beste operakoor ter wereld dat als geen ander ensemble erin slaagt een theatrale benadering te laten samengaan met muzikale discipline.

Overigens had ik in het Concertgebouw wel moeite met het gebruik van de ruimte om het theatrale element een grotere rol te geven. Bescheiden acteren op het podium is prima en een enkele opkomst vanuit de zaal, zelfs helemaal van achteren, kan ook nog heel effectief zijn. Minder geslaagd vond ik echter de plaatsing van Ortrud en Telramund op de balkons aan het slot van het tweede bedrijf. Niet alleen verstoorde het de akoestische balans in een scène waarin zij Elsa juist heel direct en van heel nabij moeten belagen, maar in Wagner's opzet wordt de dreiging voor Elsa extra sterk door een fysieke confrontatie, en die moet ook akoestisch hoorbaar zijn. In plaats daarvan kregen de stemmen van Ortrud en Telramund nu juist een sterk ruimtelijk effect dat ook in de opname nog hoorbaar is, bescheiden bij de cd-versie, duidelijker als de discs als SACD's worden afgespeeld. Zelf prefereer ik het stereo-effect dat op mijn installatie ook de akoestische wisselwerking tussen orkest en zaal fraaier laat uitkomen. Wel had ik soms de stemmen iets meer op de voorgrond willen horen, maar dat neemt niet weg dat het een juweel van een uitgave is, ondank enkele bemerkingen hierboven. Bijna lachwekkend is echter de in het cd-boekje afgedrukte synopsis, hier teruggebracht tot anderhalve kolom waarbij het ruim tachtig minuten durende tweede bedrijf wordt samengevat tot één zinnetje van twintig woorden (in de Nederlandse tekst - in de vertalingen nog minder).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links