CD-recensie

Verdi op het debutantenbal

 

© Paul Korenhof, november 2017

 

Verdi: Otello

Nikolai Schukoff (Otello), Melody Moore (Desdemona), Lester Lynch (Jago), JunHa You (Cassio), Carlos Cardoso (Roderigo), Kevin Short (Lodovico), Luis Rodrigues (Montano), Helena Zubanovich (Emilia), Leandro César (Un araldo)
Gulbenkian Orchestra and Chorus
Dirigent: Lawrence Foster
Pentatone PTC 5186 562 (2 cd/sacd's)
Opname: Lissabon, juli 2016

   

Bij de eerste maat van Otello zitten we meteen midden in het hevigste onweer uit de hele muziekgeschiedenis. De storm beukt in heftige tutti tegen de kademuur, de wind giert door de strijkers, de bliksem flitst in felle trompetstoten door de lucht, het koor kan zich door de windvlagen nauwelijks staande houden, de solisten op de havenmuur hebben grote moeite zich verstaanbaar te maken, en dat alles wordt onderstreept door een dreigende toon van een twaalfvoets orgelpijp die pas tot zwijgen komt als de wind gaat liggen. De verademing die dat oplevert zorgt voor een van de mooiste momenten in de hele opera.

In vergelijking met de suggestie van natuurgeweld die Verdi-specialisten als Tullio Serafin, Herbert von Karajan, Carlos Kleiber en James Levine hier wisten op te roepen, blijft het aan de kalme kant bij Lawrence Foster in het auditorium van de Gulbenkian Stichting. Het orkest speelt mooi maar zonder Italiaanse attaque, de storm blijft netjes binnen de luidsprekers en het koor zingt alsof het veilig achter de ramen naar buiten staat te kijken. Ook de klank is minder uitbundig, misschien door de akoestiek in Lissabon, en om de orgeltoon goed te horen moest ik zelfs extra bassen toevoegen. Toen hoorde ik overigens ook dat de dirigent (of de opnamestaf) die toon precies op tijd liet ophouden en niet al drie maten eerder bij 'Si calma la buffera', wat sommige dirigenten graag doen. Zo 'braaf' is deze uitvoering wel. Ieder nootje is er gewoon, zelfs de hoge c aan het slot van 'Dio ti giocondi', de enige hoge c die Verdi ooit voor een tenor geschreven heeft, maar die door de meeste zangers graag wordt ingeruild voor de a die de componist als alternatief aanbood.

Otello is een van de grootste opera's aller tijden, maar ook een van de lastigste, technisch en interpretatief, en de uitvoering die Pentatone vorig jaar juli in Lissabon opnam, levert daarvan een duidelijk voorbeeld. Er wordt goed gemusiceerd, alle nootjes zijn er niet alleen, maar ze worden ook keurig afgewerkt en ondanks een licht gebrek aan helderheid, ik zou bijna zeggen: Italiaanse brutaliteit, klinkt het allemaal heel fraai, maar maakt dat een Otello?

Een probleem is niet alleen dat Foster noch uit zijn biografie noch uit deze opname naar voren komt als een specialist voor dit werk, en dat koor en orkest evenmin het theater in het bloed hebben, maar ook - en soms meer nog - dat twee, mogelijk zelfs drie hoofdrolsolisten hun partij voor het eerst zingen. Zeker bij zo'n complex en veeleisend werk is dat een nadeel, maar het schijnt inherent aan deze tijd. Of het nu gaat om zangers, violisten, pianisten of wat voor musici ook, het schijnt dat zij tegenwoordig al bij een eerste confrontatie werken opnemen waarmee solisten vroeger wachtten tot de muziek hen na een flinke reeks uitvoeringen onder de huid was gekropen.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Toen Jon Vickers in 1960 zijn eerste Otello opnam, had hij die rol nog nooit op het toneel gezongen, maar hij had wel geroutineerde zangers als Tito Gobbi en Leonie Rysanek naast zich - en met uitzondering van Rysanek bovendien allemaal Italianen! Nog belangrijker: de dirigent was Tullio Serafin, de laatste van de grote Italiaanse dirigenten uit Verdi's tijd die nog met Tamagno, Maurel, Caruso en Zenatello had gewerkt, en die als coach de man was achter Rosa Ponselle en Maria Callas.

Bij Otello is de muziek niet het enige probleem, verre van dat zelfs. Het gaat om de wereld achter de noten. Magda Olivero zei mij ooit dat zij een paar jaar van haar leven zou willen opofferen om tien minuten tenor te zijn, zodat zij één keer de monoloog 'Dio mi potevi' in het derde bedrijf zou kunnen zingen. Die scène is het summum van psychologisch inzicht en zoals Jürgen Kesting ooit betoogde: de grootste fout die je als vertolker kunt maken is die monoloog zingen alsof het een van sentimenten doortrokken aria is. En dat horen we hier gebeuren, met zelfs aanzetten tot snikken. Weg effect! Weg genialiteit! Van de grootsheid van karakter die we horen bij Martinelli, Vickers en in enkele latere opnamen van Domingo, blijft weinig over in een vertolking die soms dichter bij Puccini ligt dan bij Verdi.

Of Nikolai Schukoff helemaal de stem voor Otello heeft, is op basis van één opname moeilijk te zeggen. De Italiaans-tenorale klank is er wel (Otello is niet geschreven voor een baritonale Duitse heldentenor en zeker niet voor een 'bariton met hoogte'! Ik mis echter de autoriteit van Zenatello, Martinelli en Vickers in het 'Esultate' of het gemak waarmee Caruso, Martinelli en Björling hun genuanceerd gekleurde 'Sangue! Sangue! Sangue!' lieten volgen door een stralend 'Sì, pel ciel'. Schukoff's slot van 'Dio ti giocondi' is ook niet dodelijk superieur en zijn 'perdonate' daar mist ieder hautain sarcasme.
Deze Otello is weinig meer dan een jaloerse echtgenoot die verwikkeld raakt in huiselijke ruzies en uiteindelijk over-geëmotioneerd raakt. Vanuit dat gevoel zet Schukoff ook de monoloog 'Dio mi potevi in', bij 'e avrei portato' beginnen de snikken al op de achtergrond door te klinken en in 'del ciel' zet een indicatie van een tremolo in. Daarna gaat het een aantal maten goed, maar bij het langzame crescendo na 'Tu alfin, Clemenza' neemt de emotionaliteit weer toe en het resultaat is een Otello die zich in het daarop volgende afluisterterzet gedraagt als een dertien-in-een-dozijn jaloerse echtgenoot. Hij zingt met meer respect voor de partituur en minder gesnik dan Mario Del Monaco, dat moet ik hem nageven, maar ook deze niet altijd even smaakvol opererende Italiaanse tenor zong de rol met meer autoriteit. En dat zal zeker voor een groot deel te danken zijn geweest aan een onmisbare, jarenlange ervaring!

Nog minder ben ik overtuigd door de Jago van Lester Lynch. Door puur toeval belandde een lp met de Jago van Giuseppe Taddei op mijn draaitafel en nooit eerder was het verschil zo duidelijk tussen een zanger die 'de woorden zingt' en een zanger die alleen maar 'de noten zingt'. Met zijn kruidige bronzen timbre is de Italiaan net alleen een echte Verdi-bariton, maar hij gaat ook met zijn tekst om als een ras-acteur met een enorme vocale expressiviteit en in iedere zin leidt dat tot fascinerende nuances in kleuring en dynamiek.
Daarmee vergeleken komt de tenoraler klinkende Amerikaan niet verder dan een muzikale maar wat kleurloze weergave van de muziek waarbij de woorden weinig meer zijn dan de klanken die nodig zijn om de noten te kunnen zingen. In kleuring gebeurt bij hem weinig en dynamisch nog minder. In zijn openingsscène met Roderigo ontbreekt de gespeelde bonhomie, het drinklied mist iedere ironie en de scènes met Otello klinken niet als een spelletje waarin sluwheid en bedrog samengaan met flemende gladheid. Om een voorbeeld te noemen: het terzet na 'Dio, mi potevi' moet geladen zijn met ironie en bij woorden als 'narrami un po' moet je ook nog eens horen dat hij zelfvergenoegd onderhuids lacht over het spelletje dat hij op dat moment met Cassio en meer nog met Otello speelt. Een zanger moet Jago niet ZINGEN maar ZIJN. Niet zonder reden zei Verdi ooit over Maurel: 'zolang hij kan praten, blijft hij de beste Jago die er is'!

Misschien een beetje oneerlijk, maar toevallig draaide ik de afgelopen weken in mijn auto een box met tien cd's vol opnamen van Renata Tebaldi met misschien wel de mooiste Desdemona uit enige complete opname. Bij Otello's bruid (wij mogen niet vergeten: hun bruidsnacht vieren zij tussen het eerste en het tweede bedrijf!) moeten zowel haar engelachtige onschuld als haar volkomen gebrek aan mensenkennis in haar stem hoorbaar zijn. Anders wordt nooit geloofwaardig dat zij aan de reacties van Otello niet hoort dat zij op het verkeerde moment de verkeerde dingen zegt. Zonder iets te willen zeggen ten nadele van Melody Moore: zij klinkt niet echt als een onschuldig levensvreemd meisje, en een vreemde verkleuring met een toenemend vibrato in de hoogte geeft haar soms zelfs bijna iets moeke-achtigs.

Noch de Montano van Luis Rodrigues noch de Lodovico van Kevin Short doet recht aan het belang van een personage dat vraagt om een duidelijk aanwezig karakter, en misschien hadden JunHa You (Cassio) en Carlos Cardoso (Roderigo) beter van rol kunnen ruilen. De opname bezit weinig Italiaanse helderheid in de orkestklank, terwijl de instrumentale pianissimo's soms bijna beneden de gehoorgrens liggen (voorbeeld: de pizzicati in de anderhalve maat voorafgaand aan Desdemona's 'A terra').


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links