CD-recensie

Zeldzame opflikkering van 'Verdi-zang'

 

© Paul Korenhof, juli 2014

 

Verdi: Ernani

Neil Shicoff (Ernani), Michele Crider (Elvira), Carlos Álvarez (Don Carlo), Roberto Scandiuzzi (Don Ruy Gomez da Silva), Liliana Ciuca (Giovanna), Benedikt Cobel (Don Ricardo), Aik Martyrosian (Jago), Weense Staatsopera o.l.v. Seiji Ozawa

Orfeo C 861 132 I (2 cd's)

Opname:Wenen, 14 december 1998

 

Ooit was Ernani een van de populairste 'zangersopera's', binnen Verdi's eigen oeuvre op dat punt alleen overtroffen door Il trovatore, en de hoeveelheid beschikbare live-opnamen bewijst dat die tijd nog niet eens zo ver achter ons ligt. Vooral Bergonzi, Del Monaco en Corelli schitterden in die periode als spil van legendarische ensembles met grote Verdi-sopranen (Milanov, Gencer, Price), imponerende Verdi-baritons (Warren, Bastianini, Taddei) en bassen die autoriteit en legato nog combineerden met een diep, 'zwart' timbre (Christoff, Siepi, Rossi-Lemeni).
Dat het daarna met het werk bergafwaarts ging, hangt natuurlijk samen met het feit dat moderne regisseurs niet zo geïnteresseerd zijn in opera's waarin zangers duidelijk de hoofdrol vertolken, maar meer nog met het steeds kleiner wordende aantal Verdi-zangers. Een extra probleem is het feit dat nog maar weinig theaters erin slaagden de voor dit werk benodigde solisten ook inderdaad samen te brengen.

Zelfs in de Met lijkt Ernani, ooit in New York een publiekstrekker van de eerste orde, nu geheel van het standaardrepertoire verdwenen. Dat is ook logisch: goede tenoren voor dit werk zijn even zeldzaam als een goede Manrico, maar ze zijn er nog wel, en de sopranen vormen ook niet zo'n groot probleem. Waar zijn echter de breed en bronzen getimbreerde baritons die zowel de stem als de ampleur hebben voor de centrale rol van Don Carlo, een van Verdi's grootste baritonrollen en paradepaardje van de legendarische Mattia Battistini? En waar zijn nog echte bassen te vinden met een stem die ook in de laagte nog orgeltonen voortbrengt en met een techniek voor zowel het legato van de aria 'Infelice, e tu credevi' als de opzwepende ampleur van de cabaletta 'Infin che un brando vindice''? (En wat ook door puristen over deze cabaletta te berde wordt gebracht, een Ernani zonder Silva's cabaletta is voor mij niet compleet.

Vijftig jaar geleden kon ik moeiteloos een dozijn baritons noemen die ik in grote Verdi-rollen zou willen horen, momenteel misschien één of twee (en dat zijn beslist niet 'gedramatiseerde' lyrische baritons als Thomas Hampson of Zeljco Lucic), maar vraag mij naar een echte bas voor Fiesco, Filips II, Padre Guardiano, Zaccaria of Silva in Ernani en ik sta met mijn mond vol tanden. Zelfs een goede Sparafucile is al nauwelijks te vinden. Het is niet voor niets dat de carrières van bassen als Robert Lloyd en Ferruccio Furlanetto gerekt zijn tot ver na hun houdbaarheidsdatum!

Een goede uitvoering van Ernani kan enorm imponeren door de afzonderlijke aria's, duetten en terzetten, maar de grote kracht ligt toch in het geheel van deze partituur, waarin Verdi met enorme directheid climaxen opbouwt die keer op keer (behalve in de zwakkere laatste akte) leiden naar een bijna opruiende finale. Van Verdi's latere subtiliteit is nog niet zo veel sprake, maar wat hij er aan jeugdige overtuigingskracht tegenover stelt, is adembenemend, en een duidelijk voorbeeld daarvan is nog altijd de revolterende uitstraling van het koor 'Si ridesti il Leon di Castiglia' in het derde bedrijf.

Gaan we naar deze live-opname uit de Weense Staatsopera, heerlijk opwindend gedirigeerd door de als operadirigent zwaar onderschatte Seiji Ozawa, dan horen we geen 'top-ensemble' van het niveau van weleer, maar het resultaat overtreft wel wat ik op dit moment voor mogelijk houd. Neil Shicoff, lieveling van het Weense publiek, is natuurlijk geen verdiaan op het niveau van Bergonzi, maar hij is wel een uitstekende spinto-tenor, hij bezit de benodigde italianità en al klinkt hij dan minder opwindend dan Del Monaco of Corelli, in stijlgevoel doet hij niet voor hen onder en in zijn frasering ontplooit hij beslist meer nuances. Iets dergelijks kan gezegd worden van Michele Crider: zij is geen Leontyne Price zeker wel een goede Elvira en haar niet altijd perfecte intonaties neem ik daarbij graag voor lief.
Voor Don Carlo mist Carlo Álvarez het brede, imponerende van Battistini en Bastianini, maar hij is wel degelijk een 'Italiaanse bariton', bezit het nodige stijlgevoel en alleen het doortrekken van Verdi's melodische lijnen is helaas niet zijn specialiteit. De stem van Roberto Scandiuzzi, een van de laatste groten in de lijn van grote Italiaanse bassen, horen we hier gelukkig nog net voordat zijn vocale aftakeling doorzette. Op sommige momenten zijn de rafeltjes al een beetje hoorbaar, maar zijn Silva mag beslist gehoord worden.

Met een onder Ozawa prachtig idiomatisch zingend Staatsoperakoor en een orkest dat nog even Italiaans klinkt als eerder onder Karajan en Abbado, blijft ook op dat punt geen wens onvervuld. Hooguit had Ozawa zijn ensemble een fractie meer ruimte mogen geven in de finale II, waar de zang van de solisten ook iets te veel naar staccato neigt. De live-opname van de Oostenrijkse radio staat als een huis in warmte en dieptewerking, is prachtig helder in het orkestspel en is ook akoestisch heerlijk rustig, bijna zonder toneel- en publieksgeluiden. Een uitstekende toelichting van Michael Blees completeert deze zeldzame opwelling van Verdi-zang uit de laatste jaren van de vorige eeuw.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links