CD-recensie

 

© Paul Korenhof, juli 2023

Verdi: Un ballo in maschera

Freddie De Tommaso (Riccardo), Lester Lynch (Renato), Saioa Hernández (Amelia), Kevin Short (Samuel), Adam Lau (Tom), Elisabeth Kulman (Ulrica), Annika Gerhards (Oscar), Jean-Luc Ballestra (Silvano), Samy Camps (Il primo giudice, Un servo d'Amelia)
Staats Philharmonisch Koor van Transsylvanië
Philharmonisch Orkest van Monte Carlo
Dirigent: Marek Janowski
Pentatone PTC 5187 048 (2 sacd's)
Opname: Monte Carlo, juni-juli 2021 & Cluj (Roemenië), nov. 2021 (koordelen)

 

Na vijftien Ballo-loze jaren in Amsterdam was ik echt weer eens aan een goede uitvoering toe en gelukkig begon het dit keer veelbelovend. Behalve een interessantste vertolking van de veeleisende tenorpartij (voor een zanger gevaarlijker dan Otello!) beloofde de rolverdeling namelijk een uitvoering van de partituur zoals die in 1859 in Rome in première ging. Verdi's eigen 'definitieve' versie dus en geen 'oerversie' of een modieuze verplaatsing naar het Stockholm van Gustavus III.

Natuurlijk, het Zweedse hof was de originele plaats van handeling die door de Italiaanse censuur verboden werd, maar Verdi's keuze voor de moord op een Zweedse koning in 1792 was echt grotendeels bepaald door het feit dat het gegeven in de 19de eeuw nog actueel en daarmee 'in de mode' was. En inderdaad, de verplaatsing naar het door de Engelsen gekoloniseerde Noord-Amerika is ietwat merkwaardig, maar laten we eerlijk zijn: de 18de-eeuwse Scandinavische sfeer past nog veel minder bij Verdi's mediterrane muziek dan het 17de-eeuwse Boston.

Echt ridicuul wordt het huidige streven naar 'historische juistheid' als regisseurs met de Zweedse vorst meteen diens homoseksuele aard als uitgangspunt nemen (inclusief een amoureuze verhouding met de page Oscar). Opera is fictie, ook als historische personages een rol spelen, en bij fictie is een kunstenaar nu eenmaal vrij om met een gegeven zijn eigen weg te gaan, ongeacht of dat wel of niet overeenkomt met de historische werkelijkheid. Gustavus III als homoseksueel ten tonele voeren omdat dat nu eenmaal 'historisch juist' is, is even belachelijk als protesteren tegen het feit dat in Don Carlos de Spaanse koning door Verdi als oudere man wordt afgeschilderd, terwijl 'de echte' Filips II bij zijn huwelijk met Elisabeth van Valois pas 32 jaar oud was.

Fictie is fictie en naast respect voor de vrijheid van de kunstenaar is een eerste eis bij cultuurkritiek de acceptatie van diens normen en visies, eveneens als in zijn tijd normen golden die nu niet meer algemeen onderschreven worden. De - ook in ons land - steeds sterkere kritiek op literatuur en beeldende kunsten vanuit kringen die 'politiek correct' en 'woke' zijn, getuigt niet alleen van gebrek aan begrip voor de rol van de kunst. Het is vooral een zorgwekkende poging tot inperking van de vrijheid van meningsuiting. Een streven naar ideologische dictatuur door een extremistische minderheid die gespeend is van historisch inzicht en cultureel besef

Muziekdrama
Het begin van de eerste cd wekt meteen hoge verwachtingen. In een breed en helder klankbeeld blijkt de opening van Verdi's rembrandteske liefdestragedie een sterk gerealiseerd voorspel dat getuigt van grip op de materie. Wederom blijkt Marek Janowski een ware kapelmeester die hier met het orkest uit Monte Carlo een muzikaal tapijt neerlegt dat uitmunt door klankrijkdom.

De combinatie van uitmuntend orkestspel met een sublieme opname, ook als daarbij ook uitstekend gezongen wordt, maakt alleen nog geen opera. Daarvoor is meer nodig: gevoel voor sfeer en drama, maar ook stijlgevoel, en niet alleen bij de dirigent. Een echt goede uitvoering begint bij een producer die meer doet dan zorgen dat alles technisch perfect wordt opgenomen. Elisabeth Schwarzkopf demonstreerde mij ooit hoe Walter Legge bij een opname van liederen met Helge Rosvaenge de intensiteit van tekst en muziek bijna letterlijk uit de mond van de zanger trok.

Hoe groot bij een opera de invloed van een bevlogen producer kan zijn, is te lezen in Ring Resounding van John Culshaw. Bij menige grote productie was het dan ook vooral de producer die zorgde dat het eindresultaat klinkend 'muziekdrama' werd.
(In dit geval had een echte operaproducer trouwens geweten dat Verdi tijdens Amelia's aria op het galgenveld de klok van middernacht met zes slagen aangeeft - zoals toen in de meeste landen gebruikelijk was - en niet met twaalf. En had hij het niet geweten: het staat gewoon in de partituur: Campana, zes slagen op c' met de notitie 'suona mezzanotte'! De twaalf slagen in deze opname zijn niet alleen feitelijk onjuist, maar zij doorbreken ook de spanningsboog van de aria!)

Dat produceren met gevoel voor opera blijkt bij Pentatone nog steeds een probleem. Het lijkt of de verantwoordelijkheid helemaal bij de uitvoerenden wordt gelegd, terwijl zowel bij de voorbereiding als bij de keuze van die uitvoerenden niet altijd de juiste weg wordt bewandeld. Hier begint dat met een dirigent die zonder meer een autoriteit is voor het Duitse repertoire, maar bij wie het merkbaar ontbreekt aan 'italianità'. Zo lijkt de frasering geheel een zaak van de solisten zelf, terwijl we in plaats van Italiaans legato meer dan eens een staccato-achtige zang horen met reminiscenties aan een Duits-getinte zangstijl.

Het ergste is echter dat 'samenzang' wordt verward met 'samen zingen'. Tijdens het liefdesduet in het tweede bedrijf, een van de mooiste momenten in het hele oeuvre van Verdi, lijkt het of de solisten door verschillende dirigenten geleid worden. De tenor ontplooit daar een opeenvolging van Italiaanse legatoboogjes terwijl de sopraan meer ritmisch zingt, zelfs met accentuering van de maatstrepen. En doordat Saioa Hernández toch al niet uitmunt door de warmte en de kleuring van haar timbre, lijkt de emotionele temperatuur in dit hartstochtelijke duet niet tot normale hoogte te stijgen.

Overigens blijkt deze opname niet als homogeen product tot stand gekomen. Tijdens het luisteren verbaasde ik mij al over enkele akoestische verschillen, in het bijzonder bij koorscènes in het tweede tafereel (o.a. de tenoren en bassen 'van buiten' aan het slot van het terzet van Amelia, Ulrica en Riccardo) en tijdens het opvallend ruimtelijke laatste tafereel. Op de laatste bladzijde van het cd-boekje las ik toen echter dat de opname weliswaar afkomstig was uit Monte Carlo, maar dat alle koorscènes vier maanden later waren opgenomen in een radiostudio in Roemenië!

Hoe ik mij dat laatste precies moet voorstellen, weet ik niet, want er zit nogal wat koor in deze opera. Het lijkt echter wel tekenend voor de productie en het verklaart mogelijk dat de koorscènes niet altijd veel sfeer hebben. Opvallend is ook elders een akoestisch verschil, bijvoorbeeld als in het derde tafereel Samuel en Tom in hun scène met Renato en Amelia duidelijk anders overkomen dan in hun samenzang met het (droger opgenomen) koortje van samenzweerders.

Freddie De Tommaso
Mijn eerste kennismaking met de nu dertig jaar oude Engels-Italiaanse tenor Freddie De Tommaso overtuigde mij wel van zijn vocale potentieel, maar zijn kunstenaarschap moest toen duidelijk nog rijpen. Het ontbrak hem aan nuances en kleuren, zijn frasering was aanvankelijk tamelijk monotoon en ook zocht hij nog zijn heil in een te uitbundig volume. Het lijkt echter of hij zich voor deze opnamegoed en vooral deskundig heeft laten coachen. In élégance, kleuring en frasering haalt hij nog niet het niveau van Gigli, Björling, Bergonzi of Domingo, maar hij komt wel een heel eind en wat nog te wensen overblijft, compenseert hij in het eerste tafereel al ruimschoots met zijn stralende timbre.

In de scène met Ulrica klinkt hij wat wisselvallig. Tijdens het terzet waarin hij Ulrica en Amelia afluistert, lijkt het te veel of hij met de anderen 'meezingt' en 'Dì tu' mist iets van de uitdagende speelsheid. Als Verdi hem daar laat afdalen naar es', d' en zelfs c', klinkt zijn stem bovendien alsof we blij mogen zijn dat hij die tonen nog in huis heeft. Zonder meer verrast werd ik daarentegen door zijn lichte en beheerste toets in het ensemble 'È scherzo od è follia', waar hij niet - zoals menige tenor - trapt in de valkuil van het 'te lacherig doen'.

In het laatste tafereel hoor ik in het recitatief een beetje de neiging van moderne tenoren om bij een stijging meteen meer volume te geven en ook neigt zijn frasering daar naar het larmoyante. Vooral frases als 'Ah! l'ho segnato' aan het slot van het recitatief, en ook nog 'come se fosse l'ultima ora del notro amor' aan het slot van zijn aria krijgen net iets te veel 'dramatiek' voor een maximaal muzikaal effect, maar dat verwondert mij niet. Als iets mij bij de solisten in deze opname regelmatig opvalt, is het de neiging om (te) sterk met de stem te acteren. Un ballo in maschera dateert uit 1859 toen de Italiaanse operawereld nog onder invloed stond van het bel canto en juist dat hoor ik in deze opname veel te weinig. Door het ontbreken van een dirigent met ervaring op dat terrein?

In de Spaanse Saioa Hernández vindt De Tommaso helaas een tegenspeelster met een ietwat holle klank en scherpe randjes aan haar timbre. Haar zang mist daarbij de allure van de echte Verdi-sopraan die moet kunnen gloriëren in warme legatobogen met als hoogtepunt een breed uitgesponnen 'Ma tu, nobile, me difendi dal mio cor' in het liefdesduet. In plaats daarvan horen we een tamelijk monotone frasering, benadrukt door een te ritmische zang, af en toe neigend naar één-twee-in-de-maat en een enkele keer ('Ah, del conte la morte si vuole') culminerend in vocaal mitrailleurvuur.

Lester Lynch, Pentatone's huisbariton voor het Italiaanse repertoire, komt muzikaal beter uit de verf en afgezien van een lichte neiging tot 'overacting' overtuigt hij als Renato stilistisch meer dan in voorgaande opnamen. Hij mist echter de zinderende kleuren van de 'Italiaanse' Verdi-bariton die zoveel intensiteit in zijn zang legt, dat hij gewoon niet meer hóeft te acteren. Ook de samenzweerders Samuel en Tom zijn wel eens met meer individualiteit vertolkt, terwijl hun stemmen niet alleen in de balans van het derde tafereel vreemd overkomen. Zo lijkt in het vierde tafereel Renato constant dichter bij de microfoon te staan dan de beide andere samenzweerders.

Grote klasse is daarentegen de Ulrica van Elisabeth Kulman die zich de afgelopen decennia heeft ontwikkeld van een goede maar niet wereldschokkende sopraan tot een vocale persoonlijkheid met een fraai altregister. Het feit dat zij niet meer in het theater optreedt, maakt het echter moeilijk te bepalen in hoeverre haar indrukwekkende vertolking hier aan de microfoon te danken is.

Aanmerkelijk minder enthousiast ben ik over de kleurloze en weinig sprankelende page van Annika Gerhards, die mij nergens doet denken aan dat leuk uitgelichte meisje op De Nachtwacht van Rembrandt. Haar opkomst in het derde tafereel, om maar een voorbeeld te geven, moet een lichtstraal zijn in een scène die wordt beheerst door wraak- en moordzucht, maar dat effect ontbreekt volledig.

Ook technisch scoort zij niet hoog. In het ensemble aan het slot van datzelfde tafereel noteert Verdi voor Oscar zestien keer een triller, maar verder dan af en toe wat gebibber komt Gerhards niet. Hetzelfde geldt trouwens voor Amelia, voor wie daar eveneens een aantal trillers genoteerd staat. Weliswaar is dat bij veel Verdi-sopranen nooit het sterkste punt geweest, maar de tempi van Janowski maken het de zangeressen daar ook niet makkelijker (of neemt hij het tempo bewust iets hoger om dat manco van zijn sopranen een beetje te verhullen?).

Afwerking
In de afwerking getuigt deze uitgave niet van veel begrip voor de mensen die complete opera's kopen om die ook aandachtig te beluisteren. De pauze tussen de taferelen is minimaal en wie bijvoorbeeld na het tweede bedrijf opstaat om de cd-speler stil te zetten, zal meestal te laat komen.

De problemen met de kleine, dunne en schreefloze letters in de boekjes van Pentatone zijn bekend. Het lezen van de toelichting vereist veel licht en goede ogen, maar de naam van auteur Kasper van Kooten springt bijna van de bladzijde af. Kennelijk is die belangrijker dan de door hem geschreven tekst. Iets dergelijke geldt voor het libretto: de namen van de personages zijn altijd groot, vet en zwart gedrukt, maar wat zij precies zingen laat zich minder goed onderscheiden. Blijkbaar is dat in de optiek van Pentatone nog steeds niet zo belangrijk.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links