CD-recensie

Strauss, Strausser, Strausst!

Renée Fleming - Vier letzte Lieder

 

© Paul Korenhof, maart 2009

 

 

R. Strauss: Vier letzte Lieder - Ariadne auf Naxos : 'Ach! Wo war ich?... Ein Schönes war... Es gibt ein Reich' - Verführung, op. 33/1 - Freundliche Vision, op. 48/1 - Winterweihe, op. 48/4 - Zueignung, op. 10/1 - Die ägyptische Helena: Zweite Brautnacht.

Renée Fleming (sopraan), Münchner Philharmoniker o.l.v. Christian Thielemann,

Decca 478 1074

Opname: april 2008


Een jaar of twaalf geleden maakte een groepje Nederlandse 'kenners' van vocale muziek (ik noem geen namen) zich bij de presentatie van een boek ietwat vrolijk over de Amerikaanse sopraan Renée Fleming. Wie was deze jongedame wel dat zij zich durfde meten met Schwarzkopf, Della Casa, Te Kanawa en andere grootheden? Het verschil tussen haar opnamen en die van haar voorgangsters was evident! Dat niveau haalde Fleming nog lang niet! Die reacties staan trouwens niet op zich. Iedere keer als het gerucht doorsijpelde dat Fleming niet meteen aan ieders hoogste verwachtingen had beantwoord, leidde dat tot een meesmuilend 'zie je wel', alsof een mogelijk succes haar door sommigen al bij voorbaat ontzegd werd...

De grootste criticus uit het hierboven gesignaleerde groepje had op dat moment Fleming overigens nog nooit in levenden lijve gehoord (ik betwijfel of dat inmiddels wel zo is) en daarnaast maakten alle betrokkenen de fout dat zij opnamen van een nieuwkomer vergeleken met opnamen van erkende grootheden op het hoogtepunt van hun carrière. Zelf hoorde ik Renée Fleming voor het eerst tijdens haar minder geslaagde Bayreuth-debuut in de Meistersinger, maar al snel werd dat ruimschoots vergoed door voorstellingen van onder meer Don Giovanni in Salzburg, Il viaggio a Reims en Simon Boccanegra in Londen, Così fan tutte, Manon, Le nozze di Figaro en Der Rosenkavalier in Parijs. De voorstellingen als geheel waren niet altijd ideaal, maar wel kwam ik alle keren naar buiten in de vaste overtuiging dat ik een van de mooiste stemmen had gehoord die op de hele wereld rondliepen. Het 'romige' timbre, de warme lyriek, de kunst om moeiteloos naar de hoogte te zweven en langs even gave lijnen weer af te dalen, haar virtuositeit in coloratuurpassages, maar bovenal haat gave om een melodische lijn schier eindeloos uit te spinnen - alles maakte haar zang één ononderbroken verrukking.

Overigens ben ik niet altijd verguld van wat zij doet. Een liedrecital dat ik haar enkele jaren geleden in het Concertgebouw hoorde geven, muntte niet uit door stijlgevoel, op een door haarzelf samengestelde cd met aria's van diverse componisten naderde zij in haar zang de grens van de kitsch en als zij Italiaanse bel canto zingt onder leiding van Patrick Summers, slaat zij de plank stilistisch soms flink mis. Fleming heeft niet alleen een dirigent nodig, maar die dirigent moet ook de touwtjes in handen hebben. Als een dirigent - of pianist - uitsluitend mag opdraven om te begeleiden, kan haar zang ontaarden in suikerzoet sentiment en bovendien wordt dan duidelijk dat zij niet alle genres even goed aanvoelt.

Op dit punt aangekomen wilde ik verdergaan met 'Op haar best is Fleming in Mozart en Strauss', maar al meteen voelde ik de behoefte om daaraan toe te voegen 'en Massenet en Dvorák en Tsjaikovski en het romantische bel canto'. Haar Rusalka is exemplarisch (een recente uitvoering uit de Met bewees dat eens te meer), een overtuigender Thaïs is op plaat of cd niet te vinden en haar Armida (Rossini) blijft een lesje in betoverend bel canto. Laat ik het erop houden dat de muziek van Strauss haar in alle opzichten op het lijf geschreven lijkt, en dat haar tweede opname van de Vier letzte Lieder zich naast de eerste bovenaan mijn lijstje favorieten heeft genesteld.

Tussen beide versies van de '4LL' zijn overigens wel verschillen, waarbij ik de ene keer de voorkeur geef aan de oudere, vocaal iets 'frissere' versie onder Christoph von Eschenbach (RCA 1995), de andere keer aan de meer uitgerijpte en ook iets opulenter gekleurde nieuwe opname onder Christian Thielemann. Een keuze kan ik nog niet maken, maar al bij die eerste eindeloos doorgetrokken lijn in 'Frühling' op de nieuwe cd ging ik door de knieën. Voor 'September' geef ik vooralsnog de voorkeur aan het ongecompliceerde van de oudere opname, maar zowel voor 'Beim Schlafengehen' als 'Im Abendrot' neig ik weer naar de nieuwe versie met de iets bezadigder, meer Midden-Europese klank van de Münchner Philharmoniker onder Thielemann. Het wordt moeilijk, maar gelukkig - ik constateer dat in alle eerlijkheid - hoef ik niet te kiezen.

Eigenlijk ligt het grootste verschil in de aanvullingen. Op RCA waren dat vijf orkestliederen en de suite uit Der Rosenkavalier, op Decca is dat de combinatie van vier liederen met twee operascènes, waarbij de solo's uit Ariadne auf Naxos zonder de interrupties van Zerbinetta en haar komedianten als één geheel worden gepresenteerd. Dat resulteert in een vijftien minuten durende tour-de-force, die dankzij de samenwerking met een sensitief reagerende Thielemann naar een complete uitvoering doet verlangen. Dat laatste kan trouwens ook gezegd worden van de 'Zweite Brautnacht' uit Die ägyptische Helena, normaal geen werk waar ik echt warm voor loop, maar met deze dirigent en deze sopraan samen kan dat weleens anders uitpakken. Wel hoop ik dat iemand Fleming er dan op wijst dat het mooier is om haar beginmedeklinkers minder sterk aan te zetten, en om op 'dramatische' momenten de muziek meer voor zich te laten spreken. Vreemd dat Thielemann haar daarop niet gewezen heeft. Ook op andere punten blijven er nog een paar wensen onvervuld. Zo wordt 'Es gibt ein Reich' iets te nadrukkelijk 'geïnterpreteerd' en dat deed mij met weemoed terugdenken aan het bijna onaards verstilde van Lisa Della Casa, terwijl ik in 'Zueignung' graag iets meer uitbundigheid had willen horen.

Aan de andere kant: als we iedere tien jaren een versie van de Vier letzte Lieder op dit niveau krijgen, ben ik bij voorbaat al heel tevreden!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links