CD-recensie

 

© Paul Korenhof, november 2016

 

Rossini: Il viaggio a Reims

Laura Giordano (Corinna), Sofia Mchedlishvili (La contessa di Folleville), Alessandra Marianelli (Madama Cortese), Marianna Pizzolato (Marchesa Melibeo), Bogdan Mihai (Il cavalier Belfiore),  Maxim Mironov (Il conte di Libenskof), Mirco Palazzi (Lord Sydney), Bruno De Simone (Don Profondo), Bruno Praticò (Il barone di Trombonok), Gezim Myshketa (Don Alvaro), Baurzan Anderzhanov (Don Prudenzio), Carlos Cardoso (Don Luigino), Guiomar Cantò (Delia), Olesya Berman Chuprinova (Maddalena), Annalisa D'Agosto (Modestina), Artavazd Sargsyan (Zefirino), Lucas Somoza Osterc (Antonio), Yasushi Watanabe (Gelsomino)
Michele D'Elia (piano)
Camerata Bach Choir
Poznan & Virtuosi Brunensis
Dirigent: Antonino Fogliani
Naxos 8.660382-84 (3 cd's)
Opname: Bad Wildbad, 8, 10 & 12 juli 2014

 

Al sinds mijn kennismaking met de eerste, baanbrekende opname onder Claudio Abbado staat voor mij één ding als een paal boven water: als Il viaggio a Reims niet Rossini's beste partituur is, is het toch in ieder geval een van zijn drie beste partituren. En dat niet alleen: de première van deze 'scenische cantate' op 19 juni 1825 (wegens gebrek aan echt 'drama' is de betiteling 'opera' inderdaad niet op zijn plaats) was in feite het moment waarop de vermaarde maestro afscheid nam van de Italiaanse opera. Niet omdat hij uitgeschreven was, maar omdat hij - zoals hij later de Belgische componist Edmond Michotte toevertrouwde - moeilijk overweg kon met de neergang van de Italiaanse zangkunst.

Voor zijn Italiaanse zwanezang trok Rossini nog één keer alles uit de kast voor een semble van louter grootheden dat hij als directeur van het Parijse Théâtre des Italiens om zich heen had verzameld en het werd een overweldigend succes. Het enthousiasme was zelfs zo groot dat Rossini zich uiteindelijk liet overhalen tot een paar extra voorstellingen van een werk dat hij aanvankelijk als éénmalig had beschouwd, juist omdat hij het niet wilde prijsgeven aan theaters en zangers die niet meer aan zijn kwaliteitseisen beantwoordden.

Het vervolg is bekend. De originele partituur ging verloren, maar na een intensieve speurtocht slaagden Rossini-experts erin circa negentig procent ervan te reconstrueren en die versie ging in 1984 onder leiding van Abbado in Pesaro in première. Het zoeken werd echter voortgezet en in het kader van het 26ste Rossini-festival in Wildbad werd in juli 2014 het gerestaureerde Königliches Kurtheater heropend met hetzelfde werk dat er in 1998 ook al was uitgevoerd. Nu lag op de lessenaars echter niet de reeds bekende partituur maar een nieuwe versie waarvan werd gesteld dat dit de complete originele partituur' was. Of dat echt zo was, weten we natuurlijk niet voor honderd procent zeker, maar we horen wel meer van de toen nog ontbrekende muziek en er zijn inderdaad geen aantoonbare lacunes meer.

In een toelichting bij de toen gemaakte opname gaat de Zwitserse Rossini-kenner Reto Müller gedetailleerd in op alle verschillen, waarbij enige kritiek op de door eerdere uitvoeringen niet ontbreekt. Zo horen we daarin tijdens het 'canzone francese' in de finale de trompetten uitbarsten in de Marseillaise, een toevoeging die niet zomaar historisch onjuist is. Zoals Müller terecht opmerkt, zou het spelen van die melodie in de tijd waarin na de woelingen van de Franse Revolutie de monarchie weer hersteld werd, worden opgevat als een aanval op de monarchie die alle betrokkenen duur zou komen te staan. Jammer dat Müller juist het 'Franse aspect' van zijn eigen betoog verzwakt door inhoudelijke onjuistheden als een verkeerde interpretatie van de term 'opéra comique'.

Mijn aanvankelijke vrees dat een uitvoering met overwegend jonge en onbekende solisten juist voor deze partituur niet echt gunstig zou werken, bleek gelukkig onterecht en dat is op de eerste plaats te danken aan Antonino Foliani, ook in Nederland geen onbekende meer. Deze nu 40-jarige Siciliaan toonde zich ook bij de Reisopera al een Rossini-dirigent van de eerste orde met een goed oor voor klank en orkestrale helderheid, maar bovenal met het gevoel hoe in deze muziek het juiste tempo te combineren met souplesse en muzikale elasticiteit. Daarnaast blijkt hij uitstekend in staat het omvangrijk, divers samengestelde solistenteam om te vormen tot een homogeen ensemble.

Anders dan twee seizoenen geleden bij de Nederlandse première, waar met de partituur van dit meesterwerk flink aangerommeld werd door een regisseur die er kennelijk weinig respect voor had, is dit duidelijk een uitvoering waarin muziek centraal staat en het resultaat is een feest voor het oor, ook als de solisten niet helemaal tot de vocale top behoren. Zo klinken niet alle uitstapjes naar de hoogste regionen even vrij en onbekommerd en blijven ook op het punt van kleuring en frasering enkele wensen onvervuld. Aan de andere kant zijn er ook enkele bijdragen op een niveau waarmee zelfs Rossini blij zou kunnen zijn, waaronder de welluidende en als over-elegant gekarakteriseerde ridder Belfiore van de tenor Bogdan Mihaï en de met groot gevoel voor komedie neergezette baron Trombonok van de in dit repertoire ervaren bas Bruno Praticò.
De sopraan Alessandra Marianelli neigt soms naar een metalige hoogte (minder snel overschakelen naar forte zou betere hebben gewerkt) maar zij weet wel iets van haar rol te maken. Dat laatste geldt zeker ook voor de elegante Corinna van de Siciliaanse sopraan Laura Giordano en de Georgische Sofia Mchedlishvili lijkt in dit vak een belofte voor de toekomst, Alle goede solistische prestaties vallen echter in het niet bij het duidelijke spelplezier dat het hele ensemble uitstraalt en eigenlijk betreft mijn enige punt van echte kritiek de niet bepaald homogene klank van het koor uit Poznan.

Op basis van een heldere, door de SWR gemaakte opname vol theatersfeer verzorgde Naxos een sobere uitgave met een miniem boekwerkje vol nog miniemere letters maar zonder libretto.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links