CD-recensie

 

© Paul Korenhof, september 2011

 

Rossini: Guillaume Tell

Gerald Finley (Guillaume Tell), Marie-Nicole Lemieux (Hedwige), Elena Xanthoudakis (Jemmy), Malin Byström (Mathilde), John Osborn (Arnold), Frédéric Caton (Melchthal), Matthew Rose (Walter Furst), Carlo Cigni (Gesler), Celso Albelo (Ruodi), Dawid Kimberg (Leuthold), Davide Malvestio (Chasseur), Coro e Orchestra dell'Accademia Nazionale di Santa Cecilia o.l.v. Antonio Pappano

EMI Classics 0288262 (3 cd's)

Opname: Rome, 16, 18 en 20 oktober/18, 20 en 21 december 2010

   

De derde opname van Rossini's laatste opera in de originele Franse taal is naar twee kanten opmerkelijk. Enerzijds houdt dit gelijke tred houdt met het aantal opnamen in het Italiaans, anderzijds blijkt dat Guillaume Tell op dit punt in ieder geval serieuzer genomen wordt dan Les Vêpres siciliennes en Don Carlos van Verdi, die nog altijd bij voorkeur in een Italiaanse vertaling worden uitgevoerd. Laat ik daar wel meteen aan toevoegen dat het wel even heeft geduurd eer het zover was dat Rossini's 'grand opéra' inderdaad serieus werd genomen. Van de zes officieel uitgebrachte opnamen dateren er vijf uit de afgelopen dertig jaar, terwijl de decennia daarvoor slechts een zwaar bekorte uitgave van een Italiaans radio-concert uit 1952 hebben opgeleverd. Daarnaast kennen we wel ook enkele uitgaven in het grijze circuit, maar voorzover die technisch het beluisteren waard zijn, betreft het ook hier uitvoeringen in de gebruikelijke Italiaanse vertaling.

Verwaarloosd repertoire
Het blijft een merkwaardig verschijnsel dat niemand het meer in zijn hoofd haalt om Carmen of Manon in het Italiaans uit te voeren, zelfs niet meer in de Italiaanse provincie, maar dat Franse opera's van Italiaanse componisten internationaal nog altijd bij voorkeur in het Italiaans tot klinken worden gebracht. Ten dele zal dat onvermijdelijk samenhangen met het feit dat Franse opera's heb­ben het momenteel in het algemeen zwaar te verduren, vooral in 'de oude wereld'. Massenet, Bizet en Offen­bach mogen hier dan nog wel worden uitgevoerd, maar voor Saint-Saëns, Delibes, Gounod en Au­ber schijnt men alleen in de Franse provincietheaters en in sommige Amerikaanse steden de neus nog niet op te halen. De meest verwaar­loosde werken zijn echter de 'grand opéras' en dat is de afgelopen jaren duidelijk weerspiegeld in de catalogi van de cd-maatschappijen. Niet alleen is het produceren en opnemen een kostbare zaak, maar het feit dat er tegenwoordig nauwelijks zangers voor te vinden zijn, maakt werpt ook een artistieke drempel op.
Rossini's Guillau­me Tell heeft het de afgelopen decennia ook helemaal niet slecht gedaan, zeker als we de beide Italiaanse uitvoeringen onder Riccardo Chailly (Decca) en Riccardo Muti (Philips) meerekenen. Hoewel deze twee opnamen vocaal en orkestraal beide bijzonder imposant zijn, beantwoordt de sfeer echter niet helemaal aan wat ik verwacht van een echte 'grand opéra'. Daarvoor moeten we zijn bij de drie beschikbare opnamen in het Frans: een studio-opname van EMI onder Lamberto Gardelli uit 1972, een live-opname uit de Weense Staatsopera onder Fabio Luisi uit 1998 op Orfeo en nu dus een nieuwe live-opname op EMI onder Antonio Pappano, vastgelegd tijdens een reeks concerten in de Sala Santa Cecilia te Rome in oktober en december 2010.

Volmaakt specimen
De kennelijk groeiende waardering voor Guillau­me Tell kan ik alleen maar kwalificeren als: volkomen terecht! Rossini's laatste grote bühnewerk blijft het volmaakte specimen van de Franse grand opé­ra, een werk waarover ik mij eigenlijk alleen maar in superlatieven kan uitlaten. Een kanjer van een ouverture, gran­dioze balletten, meesle­pende aria's, fenomenale duetten en - last but not least - een stuk of wat finales die zelfs samenzwering­scène uit Les Huguenots van Meyerbeer in de schaduw stelt. Dit alles werd door de componist samengesmeed tot een indrukwekkende theatrale eenheid die uitmunt door een subtiele 'romantische' sfeerschildering, een element dat in het theater helaas verloren dreigt te gaan als moderne regisseurs zich ermee gaan bemoeien.
Dat in een werk van deze lengte (even langer als de gemid­delde uitvoering van Die Walküre) ook zwakke plekken zitten is bijna on­vermijdelijk. Het enige grote nadeel is echter dat de componist Rossini heet, en dat onterechte vergelijkingen met zijn meer populaire werken uit zijn 'Italiaanse periode' voor de hand liggen. Werken als Le Comte Ory en Moïse et Pharaon, de tweede versie van Mosè in Egitto, bewijzen al dat Rossi­ni zich in die tijd volledig had ingewerkt in de Franse theatersfeer en met met Guillaume Tell demonstreerde hij in 1829 een volmaakt samengaan van zijn Italiaanse karakter en de Franse operastijl.

Vanaf het moment waarop ik vroeg in de jaren zestig kennismaakte met de zwaar gecoupeerde Cetra-opname van 'Guglielmo Tell' uit 1952, was ik verkocht, maar hoe deze muziek ècht zou moeten klinken, besefte ik pas toen ik kort daarna een Philips-lp met hoogtepunten in handen kreeg, opgenomen in 1961 met Jean Borthayre in de titelrol en de onder verzamelaars legendarische tenor Tony Poncet als Arnold. Tot mijn vreugde volgde enkele jaren later een selectie op een HMV-plaat met Ernest Blanc en Nicolai Gedda en die maakte min of meer de weg vrij voor de eerste complete opname uit 1972 waarin Gedda wederom Arnold zong, nu tegenover de titelrol van Gabriel Bacquier en met Montserrat Caballé als Mathilde.

Een ideale Arnold
Ook in de traditionele gekortwiekte uitvoering was de tweede akte uit Guillaume Tell voor mij al een van de indrukwekkendste muziekdramati­sche climaxen die een Italiaanse com­ponist vóór Otello en Falstaff ge­schreven had, maar in het geheel van de tot dan toe traditionele versie bleven de aria van Mathilde en het duet van Mathilde en Ar­nold aan het begin van dat bedrijf enigszins geïsoleerd staan. In de complete opname van 1972, met een speciaal voor die gelegenheid gereconstrueerde partituur, was ook het hun duet in III met de aria 'Pour notre amour' weer in ere hersteld. Daardoor bleek het werk niet alleen evenwichtiger van opbouw te worden, maar werd ook duidelijk dat het karakter van Mathilde een logi­sche dramatische ontwikkeling bezat, waardoor haar interventie in de finale van dat bedrijf (na de befaamde 'scène met de appel') niet meer zo in de lucht kwam te hangen.
Een nadeel van die uitvoering - naast de iets te 'brede' directie van Lamberto Gardelli - was echter dat EMI er niet in geslaagd was een volwaardige en homogene 'Franse' bezetting op de been te brengen. Gabriel Bacquier was indrukwekkend als altijd en de Zweedse tenor Nicolai Gedda, de kameleon onder de tenoren met een onover­troffen stijlgevoel, bleek een perfecte 'Franse' Arnold, subliem in zijn talloze lyrische momenten en absoluut weergaloos in zijn hoge C's (alleen in het stretta van zijn aria al een stuk of zeven!). Montserrat Caballé was als Mathilde beter op haar plaats dan ik verwacht had, maar voor een authentiek Franse klank met de bijbehorende articulatie moest ik alleen bij bij Mady Mesplé als Jemmy. en Jocelyne Taillon als Hedwige. Bij de heren lagen de kaarten op dit punt helaas nog minder goed en waren de idiomatische vertolkingen zelfs ver in de minderheid.
Nog minder 'Frans' (en ook iets minder compleet) was de uitvoering die op 24 oktober 1998 in de Weense Staatsopera werd opgenomen met Thomas Hampson in de titelrol, Giuseppe Sabbatini als Arnold en Nancy Gustafson als Mathilde. Hieraan werkte zelfs geen enkele van origine Franstalige solist mee en zeker tijdens de talloze ensembles was dat duidelijk merkbaar, niet zozeer aan de uitspraak als wel aan de 'klanksfeer'. 'Zingen in het Frans' is nu eenmaal iets anders dan 'Frans zingen': het eist een andere klankvorming en een andere manier van met de tekst omgaan en zeker als het koor daarop niet goed getraind is, blijkt de sfeer van een uitvoering totaal anders te worden dan bij een authentieke uitvoering.

De nieuwe EMI-opname
De relatie tussen Guillaume Tell en dirigent Antonio Pappano, chefdirigent van niet alleen de Royal Opera in Londen, maar ook van de Accademia di Santa Cecilia in Rome, lijkt bijzonder hecht. Vier jaar geleden beluisterde ik via de radio al een concertante uitvoering onder zijn leiding uit Rome met Michele Pertusi, John Osborn en Norah Amsellem in de belangrijkste rollen. Uit zijn introductie bij de nieuwe cd-uitgave blijkt dat hij al snel daarna besloten had het werk nog eens te dirigeren, zo mogelijk in combinatie met een opname voor cd en dat is dus gelukt, zelf met nog een uitloop.
Eind 2010 vonden vervolgens in Rome enkele concerten plaats die door EMI werden vastgelegd voor de cd-uitgave en in juli van dit jaar werd het hele ensemble van de Accademia di Santa Cecilia overgevlogen naar Londen voor een complete uitvoering in het kader van de BBC Proms 2011. De bezetting was vrijwel gelijk aan die welke aan de concerten in Rome had meegewerkt; tot de uitzonderingen behoorden de titelrol die in Rome gezongen was door Gerald Finley en waarvoor in Londen Michele Pertusi wederom aantrad, terwijl Marie-Nicole Lemieux (Hedwige) in Londen werd vervangen door Patricia Bardon.

De dirigent als ster
Het enthousiasme van Pappano voor deze muziek blijkt uit iedere maat en realiseerde ik me bij het beluisteren van andere uitvoeringen nog wel eens dat er af en toe toch wel een minder sterke bladzijde in de partituur zat, niets daarvan bij Pappano. Bij de ouverture springen de vonken er al af, de grote vocale delen munten uit door een zorgvuldige opbouw en een dramatische spanning die daardoor nog eens extra versterkt wordt, lyriek en frasering frapperen keer op keer door juweeltjes van detailwerking en de balletten worden met zoveel verve en energie ten gehore gebracht, dat ze nergens als 'intermezzi' klinken, maar volledig in het totaal werden opgenomen.
Bij een uitvoering van een opera uit het belcantotijdperk, waarin de dirigent zo sterk als 'ster' fungeert, zou je mogen hopen dat het vocale aandeel toch wel een beetje op hetzelfde niveau staat, maar dat is slechts ten dele waar. Het goed getrainde Italiaanse koor, dat Rossini's muzikale taal met de paplepel ingegoten heeft gekregen, beantwoordt geheel aan het orkestrale niveau, maar het solistenteam kan door de bank genomen alleen maar als 'ruim voldoende' worden omschreven. Het grootste probleem daarbij blijft het gebrek aan Franse stijl en daardoor ook aan puntigheid en verstaanbaarheid. Was Caballé in de vorige EMI-opname al iets te veel aan het vocaliseren, van haar opvolgster, de Zweedse Malin Byström, kan nog wel worden vastgesteld dat zij in ieder geval in het Frans zingt, maar daar blijft het bij. Wat zij precies zingt, is meestentijds totaal onverstaanbaar. Wat overblijft is een mooie klank met weinig expressiviteit.

Gerald Finley
Gelukkig werd voor de titelrol een zanger geëngageerd die beter van wanten weet. Michele Pertusi wist in 2007 en tijdens het Prom-concert ook van wanten en was daarbij doorkneed in de Rossini-stijl, maar Gerald Finley heeft veel meer brede baritonale timbre dat bij deze partij hoort. Daarbij is hij zowel een uitstekend zanger als een intelligent interpreet en hoewel zijn klankvorming meer naar het Italiaanse dan naar het Frans-nasale neigt (laat staan dat hij tussen de diverse nasalen weet te differentiëren), krijgt bij hem de tekst in ieder geval wel het volle pond.
De Arnold van John Osborn, een tenor die hoorbaar thuis is in het Franse repertoire, profiteert ongetwijfeld van het feit dat de opname over meerdere dagen werd uitgesmeerd. Tijdens het Prom-concert moest hij alle zeilen bijzetten om zijn partij zonder kleerscheuren tot een goed einde te brengen en klonken zijn hoge c's niet bepaald alsof hij ze uit zijn mouw schudde. Op de cd slaat hij zich er beter doorheen, maar zijn prestatie, hoe bewonderenswaardig ook, mist toch de flair en de natuurlijkheid van Nicolai Gedda, die niet alleen een meester was op het punt van Franse stijl en frasering, maar die inderdaad moeiteloos met zijn hoge noten kon strooien. En niet alleen met c's. Als het moest (I puritani, Le Postillon de Longjumeau) draaide hij voor een hoge d en zelfs een hoge e zijn hand niet om.
Van de overige solisten verdienen vooral Marie-Nicole Lemieux (Hedwige) en Elena Xanthoudakis (Jemmy) om genoemd te worden. De overigen vormen een goed ensemble zonder vocale minpunten, maar ook zonder de differentiëring waartoe een ouderwets 'Frans' ensemble in staat zou zijn geweest. Klanktechnisch is de uitgave verder prima verzorgd, maar zowel het doosje als het cd-boekje munten niet uit door leesbaarheid, zeker niet op plaatsen waar de ontwerper het nodig vond visueel een beetje 'speels' bezig te zijn…


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links