CD-recensie

 

© Paul Korenhof, december 2010

 

Rossini: Stabat mater

Anna Netrebko (sopraan), Joyce DiDonato (mezzosopraan), Lawrence Brownlee (tenor), Ildebrando D'Arcangelo (bas), Accademia Nazionale di Santa Cecilia, Roma o.l.v. Antonio Pappano

EMI Classics 6405292

Opname: juli 2010

   

Zeker op latere leeftijd was Rossini geen gelukkig mens en al helemaal niet de vrolijke grapjas waarvoor hij nog vaak wordt aangezien. Toenemende fysieke en psychische problemen begonnen hem rond 1830 steeds meer te hinderen en het Stabat mater, de succesrijkste compositie die na zijn laatste opera Guillaume Tell aan zijn pen ontsproten is, getuigt daarvan op treffende wijze. Hij begon eraan in 1831 tijdens een reis naar Spanje, maar kon toen slechts zes van de tien delen zelf componeren (de nummers 1, 5, 6, 7, 8, 9) en het werk ging in 1833 in Madrid in première met aanvullingen van zijn vriend Giovanni Tadolini. Pas toen deze 'mengversie' enkele jaren later gedrukt dreigde te worden, bracht hij de kracht op de partituur te voltooien en op 7 januari 1842 vond in Parijs de definitieve première plaats. Zowel toen als bij de door Donizetti geleide Italiaanse première in Bologna, twee maanden later, was de componist echter niet meer in staat zich intensief om de repetities te bekommeren. De venerische ziekte die hij waarschijnlijk al had opgelopen toen hij chefdirigent was van het Teatro San Carlo in Napels, had hem daarvoor te veel ondermijnd.

Onder de representatieve opnamen van dit werk staat voor menigeen die van Giulini uit 1982 nog steeds bovenaan. In juni-juli van dat jaar dirigeerde de maestro in Covent Garden een legendarische reeks voorstellingen van Verdi's Falstaff, zijn laatste opera in het theater, en waarschijnlijk nam hij het Stabat mater op in diezelfde periode en met drie van de solisten uit die cast: Katia Ricciarelli, Lucia Valentini-Terrani en Dalmacio Gonzalez. Het werd een grootse uitvoering, helemaal in lijn met zijn legendarische opname van de Messa da requiem van Verdi, eveneens met het Philharmonia Chorus and Orchestra, maar er is een 'maar'. Het lijkt of de grote Rossini-dirigent van de jaren vijftig en zestig zijn lichtvoetigheid verloren heeft. Natuurlijk, het Stabat mater is geen komische opera, maar de partituur is wel geschreven door Rossini, niet door Beethoven, Schubert of Verdi. Giulini was in die tijd echter al op weg naar de periode waarin orkestleden over hem zouden zeggen: "Hij dirigeert zoals de paus zegent." Zijn voorkeur tot gedragen tempi zou later nog toenemen, maar opvallend is bijvoorbeeld dat hij hier al ruim tien procent langzamer is dan in een opname die hij vijftien jaar eerder voor de Italiaanse radio maakte.

Toen EMI bekend maakte dat Pappano het Stabat mater zou opnemen met het ensemble van de Accademia di Santa Cecilia, was ik een beetje teleurgesteld. Hoe graag had ik dit werk niet gehoord met een 'authentiek' ensemble als het Orchestra of the Age of Enlightenment! Na beluistering van de cd ben ik van mening veranderd, maar dat heeft mede te maken met Pappano's benadering. Voor hem is het Stabat mater niet op de eerste plaats een 'religieus' werk, maar een compositie van een operacomponist voor de concertzaal, misschien zelfs een 'concertopera'.
Een groter contrast dan met de benadering van Giulini is nauwelijks denkbaar en het wekt dan ook geen verwondering dat zijn tempi nog lager liggen dan bij Giulini's eerste opname. Niet dat zoiets doorslaggevend is, maar het is wel een indicatie en delen als het duet voor sopraan en mezzosopraan 'Quis est homo' of de sopraan-aria 'Inflammatus et accentus' worden hier onvervalste operascènes die toevallig op een Latijnse tekst geschreven zijn. Zo lijkt het in 'Quis est homo' of Giulini zijn solisten probeert te verenigen in een emotionele eenheid, terwijl de Anna Netrebko en Joyce DiDonato bij Pappano er een 'dramatisch' duet van maken, waarbij DiDonato een meer ingetogen benadering plaatst tegenover de opvallend warmbloedige en naar het slot toe steeds extravertere vertolking van Netrebko. De Russische sopraan toont zich in deze opname trouwens opmerkelijk geëngageerd en ontplooit in haar 'Inflammatus' meer gevoel voor drama dan ik in sommige operarollen van haar gehoord heb.

De Amerikaanse tenor Lawrence Brownlee is een van de grote Rossini-specialisten van dit moment, maar juist zijn stijlgevoel - in combinatie met de fraaie balans van solist en orkest - maakt dat zijn 'Cujus animam' niet een op zich staande one-man-show wordt. Ook elders voegt hij zich volmaakt in het geheel, evenals de bas Ildebrando D'Arcangelo, al had ik hem misschien een iets vloeiender legato toegewenst. De drie kwartetten worden hier echter meesterstukjes van ensemblezang, waarin Pappano zijn solisten met meesterhand tot een eenheid weet te maken.
Bij zo'n benadering is het ensemble van de Accademia di Santa Cecilia ideaal. Het Romeinse orkest is al sinds jaar en dag een van de beste orkesten die Italië voor muziek uit het ottocento op de been kan brengen en onder Pappano lijkt het gevoel voor discipline on-Italiaanse proporties te hebben aangenomen. En als ik het dan toch over discipline heb: de kroon op het geheel zijn de bijdragen van het Cecilia-koor, dat na onder meer een geserreerd 'Eja, Mater' de kroon op de uitvoering zet in een bijna verdiaanse finale die theatraliteit paart aan intensiteit zoals alleen een volbloed Italiaans ensemble dat kan doen.

Een speciaal woord van lof verdient de opname. De balans heb ik al genoemd, maar wat de EMI-technici op het punt van warmte en doorzichtige totaalklank hebben bereikt, is eveneens verbluffend. Men beluistere slechts de eerste minuut van het 'Inflammatus' met glorieus koper, een overweldigende koorklank en de prachtig in het totaal gevoegde sopraanstem van Netrebko!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links