CD-recensie

Grootse dramatiek in Madama Butterfly

© Paul Korenhof, maart 2009

 

 

Puccini: Madama Butterfly.

Angela Gheorghiu (Cio-Cio-San), Jonas Kaufmann  (Pinkerton), Enkelejda Shkosa (Suzuki), Fabio Capitanucci (Sharpless), Gregory Bonfatti (Goro), Raymond Aceto (Bonzo), Cristina Reale (Kate Pinkerton) e.a., Orchestra e Coro delL'Accademia Nazionale di Santa Cecilia o.l.v. Antonio Pappano.

EMI Classics 2641872 (2 cd's - opnamen 7-19 juli 2008).


Voor de eerste EMI-Butterfly in de nieuwe eeuw heeft de maatschappij bij voorbaat zelf maar de recensie op de achterzijde van het doosje afgedrukt. Het is - zo lezen wij - een 'stunning and consummately idiomatic Butterfly' geworden, waarin 'Every facet of this most vulnerable of heroines is caught by Gheorghiu's incomparable soprano'. Die recensie hoef ik dus niet meer te schrijven...

De afgelopen weken heb ik tijdens een serie lezingen voor De Nederlandse Opera een voorbeeld gegeven van 'belcantismo', bel canto dat gerealiseerd wordt met de kenmerken van het verismo. Een voorbeeld was niet moeilijk te vinden: de opname die Cecilia Bartoli maakte van Bellini's La sonnambula en waarin zij met overdreven 'gevoeligheid' emoties suggereerde door noten te verdelen in een reeks elkaar snel opvolgende kleinere nootjes ('Ca-a-a-a-are compagne'). Daartegenover staat bijvoorbeeld Maria Callas, die afzag van ieder acteren en in plaats daarvan louter muzikale middelen als kleuring en dynamiek stelde.

De vraag is echter: mag of moet je in Puccini ook 'acteren'? Zelf ben ik geneigd te zeggen dat Puccini zijn opera's schreef voor de zangers van zijn eigen tijd en die waren nog allemaal opgeleid door pedagogen uit de tijd van het bel canto. Met andere woorden: liever niet - en het hoeft ook niet. Puccini's muziek is theatraal genoeg om het te kunnen stellen zonder melodramatische effecten. Laten we drie opnamen als voorbeeld nemen: Gavazzeni-De los Angeles (EMI-1955), Karajan-Callas (EMI-1955) en Barbirolli-Scotto (EMI-1966), drie opnamen waarin niet met de stem gea-a-a-a-acteerd wordt, maar waarin de vertolkster van de titelrol wel met haar kleuring alles doet om - zeker in de eerste akte - het kinderlijke van de Cio-Cio-San te laten doorklinken. Ondertussen proberen de drie dirigenten - niet de minsten in dit repertoire - alle 'grote dramatiek' te vermijden en horen we in plaats daarvan een geraffineerd borduurwerk vol 'piccole cose'. Het resultaat is steeds in hoge mate ontroerend, op het adembenemende af. Drie gouden EMI-registraties uit een gouden tijdperk! En alsof dat nog niet genoeg is, heeft EMI ter vergelijking ook nog de opnamen Fabritiis-Dal Monte (1939) en Santini-De los Angeles (1960) in de catalogus...

Piccole cose
Dat Angela Gheorghiu op een gegeven moment Madama Butterfly zou opnemen, was  bijna onvermijdelijk. Naast een van de grote sopranen van dit moment is zij een Puccini-vertolkster bij uitstek. Dat gold overigens ook voor De los Angeles, Callas en Scotto, maar bij hun opnamen is vanaf de eerste maat duidelijk dat de dirigent de touwtjes stevig in handen had en dat de vertolking van de titelrol tot in de kleinste details aansloot bij wat hem daarbij voor ogen stond. Naarmate het hele ensemble beter functioneert en de talloze 'piccole cose'  in Puccini's partituur meer reliëf krijgen, wordt de tragiek van Cio-Cio-San schrijnender en juist het feit dat deze opnamen allesbehalve een one-woman-show zijn, maakt het drama des te sterker navoelbaar.

Een probleem met Gheorghiu is echter dat zij zich moeilijk laat leiden en daarom heb ik mijn twijfels of haar vertolking helemaal in overleg met Pappano tot stand is gekomen, laat staan dat de uitvoering als geheel representatief is voor de visie van deze dirigent, zoals dat bij Gavazzeni, Karajan en Barbirolli het geval was.

Wat Gheorghiu hier doet, is van grote klasse, laat ik dat vooropstellen, en haar vertolking is er helemaal op gericht de tragiek van Butterfly hoorbaar te maken. Zij doet dat bovendien zoals het een goede zangeres betaamt, dus vooral door de kleuren en accenten in haar zang en haar tekstbehandeling, niet door snikken, tremoleren en andere goedkope effecten. Haar benadering doet mij echter denken aan de regisseur Josef von Sternheim, die ooit in Hollywood tegen een overenthousiast auditerende actrice zei: "If you weep, the audience will never cry!" Gheorghiu huilt dan wel niet, maar regelmatig drukt zij ons zo sterk met onze neus op de tragiek van Cio-Cio-San, dat op die momenten van spontaan meevoelen geen sprake meer is.

Juist de naïveteit in de zang van De los Angeles, Callas en Scotto, het feit dat deze geisha's de werkelijkheid niet zien, maakt hun portrettering zo aangrijpend. Ook Gheorghiu is zich bewust van het feit dat Cio-Cio-San aan het begin van de opera een naïef meisje van vijftien jaar is, maar het verschil is dat zij dat probeert te 'spelen', terwijl haar voorgangsters het vooral zochten in eenvoud, soberheid en lichte stemklank. Dat neemt niet weg dat haar vertolking binnen dit zelfgekozen kader absoluut bewonderenswaardig is. Zij zeilt superieur door de muziek heen, houdt bij iedere orkestrale climax moeiteloos stand en weet haar kleurenpalet zonder meer uiterst effectief te gebruiken. Ik kreeg alleen af en toe het gevoel dat Minnie in La fanciulla del west een betere keuze zou zijn geweest.

Jonas Kaufman
Als de tegenstelling tussen Butterfly en haar omgeving hier minder scherp naar voren komt, ligt dat overigens niet alleen aan Gheorghiu, dat blijkt bijvoorbeeld uit een vergelijking met opname onder Gavazzeni, beslist niet de opmerkelijkste van de oudere EMI-opnamen. De nonchalance en de overduidelijke arrogantie waarmee Di Stefano-Pinkerton daar de zorgelijke raadgevingen van Gobbi-Sharpless wegwuift, laten al meteen tijdens het eerste dialoogje met De los Angeles-Butterfly je hart in je lijf omdraaien.

In een interview met het Duitse blad FonoForum laat Gheorghiu duidelijk merken dat zij bij het hele Butterfly-rpject van EMI de touwtjes in handen had en dat ook de keuze van Jonas Kaufmann voor de rol van Pinkerton helemaal haar verantwoordelijkheid was. Het was bepaald geen slechte keuze. Vocaal is de Duitse tenor hier helemaal op zijn plaats, maar de vrolijke nonchalance ontbreekt en sterker nog: hij klinkt ook te sympathiek en te betrokken om geloofwaardig te maken dat hij alleen maar op een pleziertje uit is. Met zijn culturele achtergrond heeft dat niet zoveel te maken. Wunderlich nam ooit (in het Duits!) hoogtepunten op die veel Italiaanser en zorgelozer klinken dan wat we hier van Kaufmann horen. Diens aandeel in het liefdesduet klinkt ook zo integer, zo welgemeend, dat je aan het begin van het tweede bedrijf bijna verbaasd bent te horen dat hij al kort daarna is afgereisd.

Bij de kleinere rollen horen we een warme, maar iets te ouwelijke Suzuki van Enkelejda Shkosa en een weinig genuanceerde, ook weer nadrukkelijk 'acterende' Sharpless van Fabio Capitanucci (luistert zo'n man nou niet eventjes naar Gobbi?). De neiging tot overmatig 'acteren-met-de-stem' komt echter het sterkste naar voren in de op dit punt net iets te zwaar aangezette Goro van Gregory Bonfatti, die daarmee de bodem wegslaat onder een van de dankbaarste comprimario-rollen in het hele Italiaanse repertoire. De overige bijrollen zijn evenmin opmerkelijk met zelfs een merkwaardig zwakke Bonzo van Raymond Aceto. Giulini dreigde ooit weg te lopen bij een opname van Rigoletto omdat de vertolker van Marullo niet aan zijn verwachtingen voldeed, maar voor de dirigenten, operadirecteuren en cd-producers van nu vormen de bijrollen kennelijk de sluitpost van de begroting!

Te weinig intimiteit
Misschien zou La fanciulla del west ook beter gepast hebben bij de benadering van Pappano, die opteert voor een stralende, maar voor deze muziek erg brede orkestklank met grootse climaxen en veel volume. Te veel volume soms, en daarin trekt hij zijn solisten mee. Een van de delen in deze partituur die voor mij kenmerkend voor de benadering als geheel, is het terzet Suzuki-Pinkerton-Sharpless in het laatste tafereel. Hier wordt dit terzet echter dermate volumineus opgezet, dat je je afvraagt of iemand zich nog wel bewust is van het feit dat Butterfly in de kamer ernaast ligt te slapen! Puccini's subtielste partituur wordt bij Ghoerghiu en Pappano een groots drama, waarbij soms nog meer muziekdramatische sluizen worden opengetrokken dan in de al even 'grootse' opname die Erich Leinsdorf ooit maakte met Leontyne Price en Richard Tucker.

Is dat allemaal verkeerd? Ik durf het niet te zeggen. Er zijn heel wat mensen die de hierboven gesignaleerde opname onder Leinsdorf prachtig vinden, dus dat zal met deze uitvoering zeker ook het geval zijn, en puur op klank beoordeeld is het ook schitterend. Daarbij komt natuurlijk dat jongere generaties bij lange na niet over het vergelijkingsmateriaal beschikken dat oudere operaliefhebbers ter beschikking staat. Erger nog: waar operaliefhebbers vroeger een grote belangstelling toonden voor het verleden, weten veel vertegenwoordigers van de jongere generaties van nu vaak niet eens meer wat er tien jaar geleden gebeurde, laat staan dat zij enig historisch besef hebben. (En bij de huidige stand van zaken in Hilversum hebben zij ook niet veel kans om dat besef te verwerven...)

Schoonheidsfoutjes...
Twee details tot slot. De eerste betreft een storende tekstfout. Was er bij de opname (in Italië!) echt niemand die hoorde dat Gheorghiu in het begin van de tweede akte een storende fout maakt door te zingen 'Perchè  rispose' in plaats van 'Perchè dispone'? Het moet toch niet zo moeilijk zijn geweest hier even een kleine correctie te maken. Een ander punt betreft de statiefoto van Gheorghiu in een kimono: door een specialiste op dit gebied werd mij verzekerd dat zij dit kledingstuk verkeerd gesloten heeft, namelijk 'rechts over links', in wat bij ons 'damessluiting' heet. In Japan gebeurt dat bij overledenen die opgebaard liggen in de periode voorafgaand aan hun crematie. Een levende geisha zou haar kimono 'links over rechts' gesloten hebben.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links