CD-recensie

Een andere Offenbach

 

© Paul Korenhof, december 2014

 

Offenbach: Fantasio

Sarah Connolly (Fantasio), Brenda Rae (Elsbeth), Victoria Simmonds (Flamel), Russell Braun (Le Prince), Neal Davies (Sparck), Brindley Sherratt (Le Roi), Robert Murray (Marinoni), Aled Hall (Facio), Gavan Ring (Hartmann), Michael Burke (Un Pénitent), Robert Anthony Gardiner (Max), Opera Rara Chorus Orchestra of the Age of Enlightenment o.l.v. Mark Elder

Opera Rara ORC51 (2 cd's)

Opname: Londen, december 2013

   

Bijna op de kop af een jaar geleden las ik een recensie van een Londense criticus die bepaald niet enthousiast was over een concertante uitvoering van Fantasio , een opéra-comique van Offenbach op een tekstlibretto van Alfred de Musset en Charles Nuitier) die op 18 januari 1872 in Parijs in première ging. Let wel: een 'opéra-comique', geen opéra-bouffe in de traditie van Orphée aus enfers, La Belle Hélène en La Grande-Duchesse de Gérolstein . Offenbach wist wast hij deed toen hij dit werk schreef op een amusant maar vooral romantisch gegeven van Alfred de Musset en het vervolgens in de Opéra Comique in première liet gaan. Afgezien daarvan: het zegt eigenlijk al genoeg dat hij zijn partituur opdroeg aan de gevreesde Weense criticus Eduard Hanslick, de muziekpaus in de staf waar zijn werken naar hij zelf verklaarde, meer succes hadden dan in Parijs.

Tot op zekere hoogte kan ik mijn Engelse collega wel begrijpen. Bij het horen van de naam Offenbach denk je nu eenmaal onwillekeurig aan uitgelaten muzikale momenten en hilarische situaties die door de muziek alleen nog maar versterkt worden. Fantasio is echter evenmin hilarisch als Rossini's La Cenerentola , de opera waarin de componist van soms ongegeneerd kluchtige Il barbiere di Siviglia zich van zijn meest romantische kant toonde en zijn vrouwelijke hoofdpersoon soms zelfs op de rand van de tragedie laat balanceren. Misschien stond ik ook makkelijker open voor deze komedie doordat De Nationale Opera ons een maand eerder vergast had opeen sublieme voorstelling van L'Étoile , een opéra-comique die Chabrier vijf jaar later schreef en die zoveel overeenkomsten vertoont met Fantasio dat het bijna niet anders kan of Chabrier moet het werk van zijn voorganger gekend hebben.
Het verhaaltje, dat zich in dit geval niet afspeelt in een fictief rijkje maar in München (sic!), werd met enige allure gepresenteerd door Alfred de Musset in zijn toneelstuk uit 1834, dat hij overigens meer als 'leesstuk' dan als 'speelstuk' bedoeld had). Een student (travestierol voor mezzosopraan) vermomt zich als de zojuist overleden nar van de koning en weet te voorkomen dat diens dochter Elsbeth (coloratuursopraan) zich begraaft in een door haar vader gearrangeerd huwelijk met de haar onbekende prins van Mantua. Ook deze prins vermomt zich trouwens. Mogelijk heeft hij van zijn collega in La Cenerentola geleerd hoe hij zijn toekomstige verloofde kan bestuderen door zich uit te geven voor zijn eigen bediende, die zich nu in zijn plaats als een wat merkwaardige huwelijkskandidaat presenteert.

Bij zijn keuze voor deze stof zal Offenbach zonder meer geleid zijn door zijn eerdere samenwerking met De Musset, die begonnen was in 1850 toen Offenbach de muziek schreef voor het ´Lied van Fortunio´ voor een herneming door de Comédie Française van het toneelstuk Le Chandelier. Mogelijk kwam daarbij dat Offenbach steeds opnieuw zocht naar een stof die hem in staat stelde om na zijn successen met opérettes en opéras-bouffes ook als 'operacomponist' serieus genomen te worden. Vanuit die optiek zal hij zich ook op zijn beide hoofdpersonen geconcentreerd hebben. Ondanks de komische situaties waarin met name Fantasio nu en dan verzeild raakt, kleurt hij zijn muziek voor hen in tinten die bijna doen denken aan Bellini's muziek voor Romeo en Giulietta. Daarbij is Fantasio, vocaal uitmuntend gekarakteriseerd door Sarah Connolly, jong, charmant en ondernemend op dezelfde ontwapenende manier als we dat gezien hebben van Lazuli in L'Étoile . Daarentegen gaat Elsbeth zich regelmatig te buiten gaat aan uitbundige coloraturen die hier door de jonge Amerikaanse Brenda Rae vrijwel vlekkeloos worden weergegeven, maar het ontbrak haar ene beetje aan de 'lichte' Franse charme van een zangeres als Jeanine Micheau of Liliane Berton. Aan het slot horen we echter niet het conventionele happy ending met een vereniging van de gelieven. Het is een finale vol vrolijkheid, daar niet van, maar of Fantasio inderdaad Elsbeth ooit in zijn armen zal sluiten, wordt ons op dat moment nog niet meegedeeld.

Voor het echte komediespel zorgden de bariton Russell Braun als de Prins van Mantua en de tenor Robert Murray als zijn Dandini, hier luisterend naar de naam Marinoni. Ook de kleinere rollen zijn voortreffelijk bezet met als uitschieter de bas Brindley Sherratt als een ietwat verstrooide koning. De komische verwikkelingen werden verder door Offenbach vooral verpakt in de ensembles, maar bijna iedereen krijgt wel een kans om op de voorgrond te treden, in het bijzonder de student Sparck (de basbariton Neal Davies) die tot de entree van Fantasio in de finale I centraal staat met coupletten die weer de komedianteske Offenbach op zijn best laten horen, waarna de opkomst van Fantasio ons muzikaal bijna in de bierkelder uit Les Contes d'Hoffmann doet belanden.
Al met al ligt in deze opéra-comique het zwaartepunt toch meer bij de romantiek dan bij de humor en vooral daarin verschilt Fantasio met L'Étoile. Chabrier zou vijf jaar later een andere verdeling zoeken, wat in oktober in op Amsterdam twee uur verrukkelijk muziektheater 'voor het hele gezin' opleverde. (Jammer overigens dat zo weinig mensen die voorstelling zagen, maar mogelijk ligt de oorzaak daarvan ook bij DNO zelf en de aankondiging in het jaarprogramma dat het hier een 'operette' betrof. Nederlanders betalen nu eenmaal niet snel bedragen van 60 tot 128 euro om naar 'een operette' te gaan! De bezoekers die wel kwamen, zullen er geen spijt van hebben gehad. De matinee die ik bezocht, was een waar feest.)

Hoe Fantasio het in het theater zal doen, kan ik helaas beoordelen. In 1872 was het in ieder geval geen succes en het door Opera Rara bijgesloten cd-boekje (als altijd een lust voor het oog) zoekt de oorzaak ten dele bij het feit dat de als Duitser geboren Jacques Offenbach twee jaar na de Frans-Duitse oorlog een luchtige opera schreef die zich in Duitsland afspeelde. De combinatie van luchtig en Duits zal op dat moment bij de Parijzenaars niet zo goed gevallen zijn, terwijl latere generaties vermoedelijk minder belangstelling hadden voor een werk dat geen opéra-bouffe was, maar ook het absurde en tegelijk metafysische miste van Les Contes d'Hoffmann. Nu Fantasio eindelijk weer uitgevoerd en opgenomen is, kunnen we horen dat deze romantische opéra-comique muzikaal redelijk verwant is aan Offenbach's onvoltooide 'opéra fantastique'. Zo horen we in de aria van Elsbeth aan het begin van het tweede bedrijf zelfs maten die bijna letterlijk hun weg vonden in de muziek van Nicklausse in Les Contes d'Hoffmann.

Voor de kritische uitgave van de originele partituur tekende de Offenbach-specialist Jean-Christophe Keck en aan hem danken we ook de twee appendices met muziek voor Fantasio die Offenbach al vóór de première schrapte om de voorstelling meer vaart te geven. De opname werd verder met alle zorg omgeven, niet op de laatste door Mark Elder die niet alleen met het Orchestra of the Age of Enlightenment Offenbach's muziek ver boven de sfeer van luchtig amusement uittilt, maar die zowaar ook enkele gesproken rolletjes voor zijn rekening neemt. Al met al dus e en verrukkelijk pleidooi voor een 'andere' Offenbach, waarop hooguit valt af te dingen dat zowel de timbres van de solisten als de dialogen - in spreektempo meer nog dan in uitspraak - niet altijd echt 'Frans' klinken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links