CD-recensie

 

© Paul Korenhof, november 2009

 

Mozart: Don Giovanni.

Cesare Siepi (Don Giovanni), Geraint Evans (Leporello), Leyla Gancer (Donna Anna), Sena Jurinac (Donna Elvira), Mirella Freni (Zerlina), Richard Lewis (Don Ottavio), David Ward (Il Commendatore), Robert Savoie (Masetto).

The Covent Garden Opera Chorus & Orchestra o.l.v. Sir Georg Solti.

ROHS007 (3 cd's - opname 19 februari 1962)

Extra: Sir David Webster herdenkt Bruno Walter, gevolgd door de ' Marsch der Priester'  uit de tweede akte van Die Zauberflöte.


Natuurlijk weten we nu heel goed hoe je Mozart 'moet' uitvoeren en natuurlijk is dat niet op de manier waarop Sir Georg Solti dat in 1962 in Covent Garden deed, maar wat heerlijk om Don Giovanni wel weer eens zó te horen! Niets ten nadele van de Östmans, de Kuijkens en de Jacobsen, maar laten we eerlijk zijn: hun uitvoeringen geven niet altijd de indruk dat het werk bij hen centraal staat, laat staan de interpretatie daarvan. Het gaat vaak vooral om de authenticiteit in de klank, de frasering, de stemming en het uitdragen van hun 'authentieke' visie op het harmonische en dynamische scala, maar niet om het totaal, laat staan dat er bij een opera ook nog eens naar de dramaturgie wordt gekeken. Ja, naar dramaturgie als tijdsbeeld: voor de radiomicrofoon en in cd-boekjes geven ze ellenlange verhandelingen over hoe de opera in die tijd in elkaar zit, en hoe de verdeling van de stemsoorten over de karakters is, maar de karakters zelf blijven dikwijls zo plat als een afgesleten dubbeltje.

Een kenmerkend voorbeeld biedt een recente Don Giovanni onder René Jacobs. Van nummer tot nummer horen we uiterst opwindend orkestspel, maar die nummers gaan niet samen een homogeen geheel vormen, terwijl de personages soms niet meer zijn dan 'muziekhistorische types' zonder noemenswaardige psychologische diepgang. Het dieptepunt vormde de titelrol: nergens wordt hij een verleider, zelfs wordt hij niet de 'verkrachter' die 'verfrissende' moderne regisseurs als Calixto Bieito opeens in hem ontdekt hebben (altijd handig voor een regisseur om zich niet in tekst en partituur te verdiepen - het maakt zijn werk een stuk makkelijker...).

Laat een dirigent als Sir Georg Solti dan in zijn orkestklank en zijn muzikale frasering weinig 'authentiek' zijn, hij neemt je wel vanaf het eerste moment in een dramatische houdgreep waar geen ontkomen aan is. Vanaf de eerste maat van de ouverture tot dat merkwaardige 'eind goed al goed' van het finale-ensemble staat de hele opera onder één grote spanningsboog die de 'lichte' en 'duistere' kanten van dit 'dramma giocoso' niet tegenover elkaar stelt, maar juist is in elkaar integreert, zodat ieder element ondergeschikt wordt aan de dramatische zeggingskracht.

Daaraan moet ik meteen toevoegen dat dit hier niet eens het belangrijkste pluspunt is. De grootste verademing vormt het solistenteam. Toegegeven, als Jacobs c.s. ons keer op keer confronteren met beginnelingen en opgefokte amateurs rond hooguit een enkeling die daarboven uit steekt, gebeurt dat ten dele omdat er tegenwoordig niet zo veel vocale grootheden meer zijn. Laten we echter niet vergeten dat het ten dele ook de muzikale dictators uit de authentieke muziekwereld zijn (en Jacobs is niet de minst dictatoriale onder hen!) aan wie wij dat te danken hebben. Zangers met een eigen persoonlijkheid zijn niet meer welkom, zoals Marjana Mijanovic kan getuigen. (En dat terwijl Jacobs zelf nog ergere primadonna-neigingen vertoont dan waarvan hij Mijanovic beschuldigt: de NPS moest bij de live-uitzending van Giulio Cesare in Amsterdam de prosceniumloge vrijmaken zodat mevrouw Jacobs daar kon zitten...)

Toen de  nu door het Royal Opera House uitgebrachte opname op 19 februari 1962, twee dagen na de dood van Bruno Walter, in Covent Garden gemaakt werd, stond er een ensemble op het toneel zoals we ons dat nu niet eens meer kunnen voorstellen. Het begint al met de Italiaanse bas Cesare Siepi, de gevierde Don Giovanni van de naoorlogse decennia en een zanger die behalve het perfecte uiterlijk voor die rol ook een grote vocale persoonlijkheid en een stem uit duizenden meebracht. Goed, hij was een bas die hier een rol zingt die ik eigenlijk liever van een bariton hoor, maar tegen de flexibiliteit van zijn timbre, zijn tekstbegrip en vooral zijn unieke legato kan geen andere vertolker op. Nog steeds niet! Naast hem Geraint Evans, de onvergetelijke Falstaff uit Wales, schijnbaar geboren voor de schelmse rol van Leporello en met zijn kruidige bariton de perfecte partner van Siepi.

(Tot de grootste frustraties van mijn leven behoort het feit dat ik Evans' enige Nederlandse optreden gemist heb. Ik had indertijd kaartjes voor alle de drie voorstellingen van Don Giovanni die Carlo Maria Giulini tijdens het Holland Festival 1965 in Den Haag dirigeerde, maar zoals ouderen zich wellicht herinneren, liep die productie een beetje uit de hand. Kort voor de voorstelling weigerden regisseur en dirigent verder samen te werken, en voor Giulini werd de confrontatie met deze vroege vorm van 'regietheater' zelfs zo'n frustrerende ervaring, dat hij zich min of meer uit het operaleven terugtrok. Achteraf zou ik nog weleens willen terugzien hoe 'erg' het in feite was, maar toen mij vormde het toneelbeeld voor mij in ieder geval zo'n teleurstelling, dat ik na de première besloot het kaartje voor de tweede voorstelling te verkopen. Laat nou precies die dag de Leporello-vertolker ziek worden, waarop Evans in allerijl werd overgevlogen om de rol over te nemen...)

Nog opmerkelijker dan de prestaties van Solti, Siepi en Evans is het damestrio dat in 1962 in Covent Garden op het toneel stond. Callas heeft Donna Anna nooit gezongen, maar hier horen we wel de zangeres die haar van al haar tijdgenoten het dichtst benaderde: de Turkse belcanto-specialiste Leyla Gencer, evenals de Griekse diva het beste op dreef in lyrische partijen die zij vanuit een toen modern gevoel voor dramatiek kon benaderen. Wat dat betekende voor Donna Anna, een rol die in die dagen nog al te vaak vertolkt werd door Wagner-sopranen als Birgit Nilsson (daar zouden we nu niet meer aan moeten denken!), is hier te horen. Anders dan bij 'echt' lyrische Mozart-sopranen als Suzanne Danco, Elisabeth Grümmer of Kiri Te Kanawa horen we hier een Donna Anna die zindert van zuidelijke passie, een vrouw van wie je inderdaad gelooft dat ze haar leven lang van haar belager gefascineerd zal blijven. Vaak wordt gesteld dat het uitstel dat Donna Anna van haar verloofde vraagt, niet ingegeven is door rouw om haar vader, maar doordat die ene ontmoeting met Don Giovanni haar bewust heeft gemaakt dat het leven meer te bieden heeft dan een 'braaf huwelijk'. Bij Gencer wordt dat hoorbaar. Hier staat een Donna Anna die zich opeens bewust is geworden van de spanning die het doorbreken van regels en taboes kan opleveren. Jammer dat Callas die rol nooit gezongen heeft, maar wat een geluk dat we wel deze interpretatie bezitten!

Als Donna Elvira horen we Sena Jurinac, met Lisa Della Casa, Elisabeth Schwarzkopf en Hilde Güden behorend tot de laatste sopraancoryfeeën van het ooit zo legendarische Weense Mozart-ensemble. Die uitvoeringstijl komt niet meer terug en natuurlijk, tijden veranderen, maar laten we eerlijk zijn: voor die Weense Mozart-stijl is nog niets in de plaatst gekomen dat ook maar bij benadering ermee vergelijkbaar is. Om de stijl zelf gaat het trouwens niet eens: het grootste geheim was de homogeniteit die ook leidde tot een homogeniteit binnen de individuele vertolkingen, en dat element werkte op weldadige wijze door zodra deze 'Weners' zich elders bevonden. De 'Dritte im Bunde' is de jonge Mirella Freni, de legitieme opvolgster van Graziella Sciutti en een zangeres die voor Zerlina nog meer warmte meebracht dan haar voorgangster, met wie zij trouwens ook een specifiek 'Italiaans' element gemeen had. Juist het boerenmeisje Zerlina profiteert immers van de directheid in de frasering van een zangeres bij wie het Italiaans met de paplepel is ingegoten. (Vraag mij naar mijn favoriete Zerlina's, en ik zeg zonder voorbehoud: Graziella Sciutti, Anna Moffo en Mirella Freni.)

Wie stonden er nog meer in Londen op het toneel? Om te beginnen de internationaal zwaar onderschatte Richard Lewis. Hij had misschien niet de vocale élégance van Simoneau, Alva of Wunderlich, en ook slaagt hij er niet in de grote brugpassage in 'Il mio tesoro' in één adem te zingen, maar zijn stijlgevoel is vlekkeloos en met zijn expressiviteit weet hij Don Ottavio meer karakter te verlenen dan menige veel bekendere vertolker. Dan David Ward, toen min of meer een 'huisbas', maar een Commendatore van deze vocale statuur is tegenwoordig zeldzaam, en mutatis mutandis kan hetzelfde gezegd worden over Robert Savoie, die zich als Masetto volmaakt bij dit ensemble voegt.

Kortom: een waarlijk fascinerende Don Giovanni die laat horen dat sommige dingen vroeger inderdaad beter waren! Dat laatste geldt overigens niet voor de mono-opname, die wel warm klinkt, maar ook compacter dan we nu gewend zijn, en waarin op stillere momenten een lichte 'bandloop' hoorbaar is. In de balans staan de stemmen ook meer op de voorgrond, maar niet zo sterk dat het storend wordt of dat het orkest zich laat wegdrukken - en als ik dan heel eerlijk mag zijn: voor zo'n balans heb ik bij opera's toch een zwak. Zeker met zo'n bezetting!!!

©Paul Korenhof

 

• 80' •

 

• 53' •


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links