CD-recensie

 

© Paul Korenhof, december 2021

Lecocq: La Fille de Mme Angot

Anne-Catherine Gillet (Clairette), Véronique Gens (Mademoiselle Lange), Mathias Vidal (Ange Pitou), Artavazd Sargsyan (Pomponnet), Matthieu Lécroart (Larivaudière), Antoine Philippot (Louchard), Ingrid Perruche (Amaranthe, Hersilie, Javotte, Babette), Flannan Obé (Trénitz, Guillaume, Buteux), David Witczak (Un Incroyable, Un Oficier, Cadet)
Coeur du Concert Spirituel
Orchestre de chambre de Paris
Dirigent: Sébastien Rouland
Bru Zane BZ 1046 (boek met 2 cd's)
Opname: Boulogne-Billancourt, 16-20 februari 2021

   

Al snel na Mozart, Verdi en Puccini ontdekte ik als operahongerige tiener de opéra-comique. In de opruiming ('sale' heet dat in modern Nederlands...) vond ik allereerst Carmen en kort daarop Les Contes d'Hoffmann plus twee Philips-lp's met hoogtepunten uit Les Cloches de Corneville en La Fille de Mme Angot.

Dat ik al die platen ongeveer grijs heb gedraaid, spreekt voor zich, en wat mij vooral aantrok, was de prominente plaats van de tekst. In al die werken hoorde ik in de zang een een grotere aandacht voor het woord dan in Italiaanse opera's, alsof zowel de componisten als de zangers veel meer moeite deden om die tekst op de luisteraar over te brengen.

Juist de tekst van La Fille de Mme Angot leverde echter ook problemen op. Charles Lecocq schreef deze romantisch getinte operette - hij noemde het zelf een opéra-comique - als tegenhanger van de meer extravagante komedies van Offenbach, maar omdat na de Frans-Duitse oorlog het Parijse theaterleven op een laag pitje stond, schreef hij het werk voor een Brussels theater waar hij eerder successen had geboekt. Gekozen werd voor een verhaal dat speelde tijdens het Directoire, de periode na de terreur van Robespierre waarin Frankrijk herademde, maar die niet vrij waren van censuur en repressie (al was de straf nu verbanning naar Cayenne in plaats van de guillotine), en waarin Parijs een broeinest was van intriges.

Zou de tijd van het Directoire alleen als decor dienen, dan was het probleem nog niet zo groot, maar Lecocq's librettisten maakten juist dat historische kader en enkele historische personages tot een van de motoren van de handeling. Een andere motor was het fictieve, maar in het Franse theater populaire personage van Mme Angot, een grofgebekte visverkoopster in de Hallen, dochter van de Franse Revolutie en in een reeks komedies gebruikt om in soms hilarische, vaak ook scabreuze teksten kritiek te leveren op politieke en sociale ontwikkelingen.

Dat alles vraagt van een modern publiek nogal wat achtergrondkennis en de librettisten maakte het de toeschouwer niet makkelijker met een libretto waarin de verwikkelingen van elk van de bedrijven die van menige complete opera in de schaduw stellen. Daarbovenop kwam nog dat de tekst niet alleen vol zit met verwijzingen en toespelingen, maar ook nog met de nodige woord- en tekstgrappen, waaronder het feit dat een (fictief) genootschap royalistische samenzweerders als herkenningscode de letter 'r' niet uitspreekt.

Toen La Fille de Mme Angot op 4 december 1872 in Brussel in première ging en meer nog op 21 februari 1873 in de Parijse Folies Dramatiques, waar het werk 411 avonden aan één stuk door gespeeld zou worden, waren die historische achtergronden bij het grootste deel van het publiek nog welbekend. Bij het Haagse publiek van het Théâtre Français lag dat op 5 maart 1874 waarschijnlijk anders, maar toch haalde het werk daar 33 voorstellingen in nauwelijks twee jaar tijd en bleef het tot de opheffing in 1919 op het repertoire.

Tekenend voor zowel de ontvangst als de politieke context bij Parijse première waren de reacties op de coupletten van Clairette, waarin zij het bewind (het Directoire voor Clairette, dat van de nog jonge Derde Republiek voor de toeschouwers) vergelijkt met de tijd vóór de Franse Revolutie ('Jadis les rois, race proscrite'). Het door het koor meegezongen refrein 'C' n'était pas la peine [...] de changer le gouvernement!' ('We hadden niet van regering hoeven wisselen!') riep zoveel bijval op van het merendeels aristocratische publiek dat het gebisseerd moest worden - onder hoorbaar protest van het 'gewone publiek' op het schellinkje. Een andere herhaling, die van het met subtiele ironie doortrokken koortje van samenzweerders in het tweede bedrijf, geschiedde overigens met algemene instemming.

Twee nummers uit de oorspronkelijke partituur moesten echter vanwege politieke en andere dubbelzinnigheden door de componist vervangen werden: in het eerste bedrijf het 'duo bouffe' van Pitou en Larivaudière en in het tweede het duet 'van Mlle Lange en Pitou over de 'République' (wat in het Frans hetzelfde klinkt als 'raie publique'). In de opname van Bru Zane horen we natuurlijk de oorspronkelijke versies, maar de nagecomponeerde versies zijn als appendix aan de tweede cd toegevoegd.

De populariteit bij Nederlandse gezelschappen was niet opzienbarend, al werd De dochter van Madame Angot in de jaren 1901-1924 regelmatig opgevoerd door het Amsterdams Lyrisch Tooneel in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Daarna was Lecocq's operette echter alleen nog populair bij amateurs, vanwege de muziek, maar vooral omdat de vocale partijen technisch redelijk te doen zijn, en omdat het vooral een ensemblewerk is met een half dozijn dankbare rollen. (Een reeks voorstellingen door de Nederlandse Operastichting in mei 1974 kunnen we beter met de mantel der liefde bedekken.)

Gezien de complicaties rond het libretto voeg ik als appendix bij deze bespreking een uitgebreide toelichting plus een gedetailleerde Nederlandse synopsis die ooit verstrekt werd bij een EMI-uitgave (klik hier.) Dat brengt mij bij het voorwoord bij deze nieuwe uitgave, waarin de artistiek directeur van Palazzetto Bru Zane, Alexandre Dratwicki, verbaasd constateert dat er nooit eerder een representatieve opname van La Fille de Mme Angot is verschenen. Daar ben ik het niet mee eens. Een Decca-opname uit 1958 is ondanks een goede bezetting artistiek en technisch inderdaad weinig bevredigend, maar de EMI/Pathé-opname onder Jean Doussard uit 1972 verdient beslist om gehoord te worden en heeft met Mady Mesplé, Christiane Stutzmann, Bernard Sinclair en Charles Burles uitstekend bezette hoofdrollen.

Wel stelt Dratwicki terecht dat Bru Zane als eerste een kritische partituur gebruikt, terwijl voorgaande opnamen gebaseerd waren op de Brusselse instrumentatie of waren ingevuld aan de hand van klavieruittreksels. Inderdaad verdient Bru Zane hierevoor alle lof, maar we mogen niet vergeten dat het werken met kritische edities in het muziektheater pas laat op gang is gekomen, en dat de Franse operette daarbij zeker geen voorrang had. Zelfs op de nieuwste Ricordi-edities van Verdi-opera's is op dit punt nog heel wat aan te merken!

Het is overigens wel te hopen dat deze uitgave ertoe bijdraagt dat La Fille de Mme Angot weer op het repertoire terugkeert, al heb ik daarover mijn twijfels. Niet vanwege de muziek, die blijft een juweeltje van hoogstaand lichtvoetig amusement, en zelfs niet vanwege het libretto. Afgezien van een paar historische complicaties, hoeft dat in deze tijd van boventitels geen groot probleem op te leveren. Het probleem is eerder dat moderne regisseurs niet geïnteresseerd zullen zijn in een werk dat zo aan alle kanten is vastgeklonken aan een specifieke periode in de geschiedenis, dat het niet eens eigentijds geënsceneerd kan worden, laat staan dat zij er een 'concept' op kunnen loslaten.

Zeker buiten Frankrijk zullen liefhebbers het dus voorlopig moeten stellen met deze opname, al doet die mij de nu bijna vijftig jaar oude EMI-versie niet vergeten. Die werd door Jean Doussard wat breder gedirigeerd, iets romantischer ook, meer in de stijl van Messager, terwijl Sébastien Rouland met dikwijls net iets snellere tempi aansluiting lijkt te zoeken bij het muziektheater van Offenbach.

De verschillen zijn echter miniem en kunnen zeker niet verklaren dat het koor hier iets minder gedisciplineerd en daardoor ook iets minder verstaanbaar klinkt dan in de oudere versie. Ook had Rouland in de finale II zowel in de scène met de samenzweerders als in de bekende wals het tempo misschien een fractie breder kunnen nemen, maar dat zijn voor mij ook de enige minpuntjes in deze nieuwe opname.

Ondanks enkele mooie opnamen van Anne-Catherine Gillet uit de afgelopen jaren vormt haar titelrol een ware verrassing. Vocaal doet zij nauwelijks onder voor Mady Mesplé en hoewel haar timbre minder individueel is, lijkt zij beter op haar plaats in een rol die zich ontwikkelt van onschuldig jong meisje tot een zelfbewuste jonge vrouw met wie iedereen maar beter rekening kan houden.

Tegenover haar staat een verrukkelijke en trefzeker getypeerde Mlle Lange van Véronique Gens, duidelijk in haar element als de door de wol geverfde actrice die niet alleen via het toneel carrière heeft gemaakt. Ik word steeds nieuwsgieriger wat wij nog meer van deze zangeres kunnen verwachten. Een Belle Hélène misschien, of een Grand-Duchesse de Gérolstein? Of zelfs een Thaïs?

Het was even wennen om als de liedjeszanger Ange Pitou geen lichte bariton te horen (mijn ideaal blijft Michel Dens), maar met zijn heldere dictie en zijn muzikale frasering is de tenor Artavazd Sargsyan ook in deze uitgave van Bru Zane weer uitstekend op zijn plaats. Daarbij verschilt hij in timbre voldoende van zijn collega Mathias Vidal om niet te worden verward met diens al even fraai gezongen Pomponnet. Ook de kleinere rollen zijn sterk bezet met als uitschieter de nergens chargerende maar wel bijzonder humoristische Larivaudière van Matthieu Lécroart.

De afsluiting wordt een beetje eentonig, maar wederom presenteert Bru Zane de fraai opgenomen uitgave in een al even aantrekkelijk boekwerk, fraai geïllustreerd en met leeslinten. Eigenlijk heb ik er nooit zo op gelet, maar het gaat hierbij ook steeds om een gelimiteerde en genummerde eerste uitgave. Voer voor verzamelaars!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links