CD-recensie

In de Händel-hemel met Harteros, Scholl en Kozená


© Paul Korenhof, oktober 2007


Händel: Alcina

Anja Harteros (Alcina), Vesselina Kasarova (Ruggiero), Veronica Cangemi (Morgana), Sonia Prina (Bradamante), John Mark Ainsley (Oronte), Christopher Purves (Melisso), Deborah York (Oberto), Bayerisches Staatsorchester
Dirigent:
Ivor Bolton

Farao S 108080 (3 sacd's)

Opname juli 2005

* * *

Händel: Giulio Cesare

Andreas Scholl (Giulio Cesare), Inger Dam-Jensen (Cleopatra), Randi Stene (Cornelia), Tuva Semmingsen (Sesto), Christopher Robson (Tolomeo), John Lundgren (Curio), Palle Knudsen (Achilla), Michael Maniaci (Nireno), Concerto Copenhagen
Dirigent: Lars Ulrik Mortensen. Regie:
Francisco Negrin.

Harmonia Mundi HMD 9909008.09 (2 dvd's)

Opname: maart 2005

* * *

Händel - Ah! mio cor

Aria's uit Agrippina, Alcina, Amadigi di Gaula, Ariodante, Giulio Cesare, Hercules, Joshua, Orlando, Rinaldo, Theodora.
Magdalena Kozená (mezzosopraan),
Venice Baroque Orchestra
Dirigent: Andrea Marcon

DG 477 6547

Opname Toblach, maart 2006


De opera's van Händel beleven gouden tijden. Sinds de opkomst van het regietheater zijn deze 'ondramatische' werken - juist door hun 'kale' en daardoor 'invulbare' dramatiek - de ideale speeltuin voor regisseurs met een veelheid van ideeën (en voor enkele charlatans...). Het gevolg is dat deze opera's, waarvoor nog niet zo lang geleden menigeen zijn neus ophaalde, nu opeens veel meer publiek bereiken dan ooit voor mogelijk werd gehouden. Dankzij de aandacht voor het authentiek musiceren in de laatste decennia van de 20ste eeuw is bovendien een generatie zangers en instrumentalisten opgestaan die uitstekend opgewassen blijkt tegen de technische eisen van deze muziek. Daardoor behoren zowel het moeizame gepiep en gesteun van een halve eeuw geleden als de anachronistische romantiek uit de periode daarvoor definitief tot het verleden (ik vergeet nooit mijn eerste Giulio Cesare met een soort Fischer-Dieskau-Almaviva in de titelrol...). En last but not least is er de economische crisis in de theaters, die opeens een repertoire ontdekt hebben dat redelijk goedkoop uit te voeren is. Alles wat je nodig hebt is een bescheiden instrumentaal ensemble (klein van omvang en redelijk goedkoop), een dirigent die zich nog lang geen Karajan voelt, en groepje zangers die gezamenlijk soms nog minder kosten dan een Netrebko, een Bartoli of een Domingo (en ook heel wat minder noten op hun zang hebben). Regisseur en ontwerpers kunnen wel eisen stellen (en doen dat ook uitbundig), maar daar staat weer tegenover dat er vrijwel geen koor nodig is en dat een geslaagde productie zonder veel problemen aan andere theaters kan worden verhuurd of verkocht. Kortom: Händel is helemaal 'in'!

Alcina uit München

Het resultaat is dat ik in één week tijd drie totaal verschillende maar op zich even boeiende uitgaven met operamuziek van Händel aan mij voorbij zag trekken, in drie verschillende vormen: een live-opname op dvd, een live-opname op cd en een recital dat in de studio werd vastgelegd. Uit München komt om te beginnen een complete Alcina van het label Farao, opgenomen in juli 2005 tijdens een serie voorstellingen in het Prinzregententheater. Het is niet de eerste opera van Händel die Farao in München met de Bayerische Staatsoper opnam. In 1997 verscheen al een Xerxes (Serse) met Ann Murray, eveneens gedirigeerd door Bolton, toen in het Nationaltheater, en volgens mij was dat zelfs de eerste titel waarmee Farao zich presenteerde. (Bovendien was het volgens mij de opera waarmee Bolton zijn succesvolle samenwerking met de Bayerische Staatsoper begon.)

De nieuwe opname is vooral interessant door de medewerking van Anja Harteros in de titelrol. Deze jonge Duitse sopraan van Griekse afkomst, eerder te horen in een Mozart-Haydn-recital op RCA en in een complete opname van La traviata uit München (eveneens sop Farao - zie elders op deze site) blijkt ook in muziek van Händel een vertolkster om wie je moeilijk heen kunt. Wie indertijd - zoals schrijver dezes - Christine Schäfer bij De Nederlandse Opera een minder gelukkige keuze vond voor de titelrol, kan hier zijn hart ophalen. Alcina is nu eenmaal geen kuise engel met een zilveren stem, maar een rijpe vrouw die weet waar Abraham de mosterd haalt, en die de weg naar haar doel net bepaald plaveit met goede voornemens. Harteros, een theaterdier in optima forma met een timbre dat beduidend warmer en sensueler is dan dat van Schäfer, weet wat zij met zo'n rol aan moet en de reacties van het Münchner publiek laten er geen twijfel over bestaan dat zij een zaal daarbij ook weet mee te slepen.

Daarbij zijn we dan meteen bij een van de twee minpuntjes van deze opname: Zowel de vertolkingen als de overdaad aan toneelgeluiden trekken het theatrale element zo sterk naar voren, dat je al luisterend constant betreurt dat van deze uitvoering geen dvd gemaakt is. Niet alleen Harteros had dat trouwens verdiend. Ook de alt Sonia Prina, die een geprononceerde en eveneens heel theatrale Bradamante neerzet, en natuurlijk drie oudgedienden in de cast: de altijd weer fascinerende Vesselina Kasarova als een nu eens hartstochtelijke, dan weer vertwijfelde Ruggiero, Veronica Cangemi als een warmbloedige Morgana en John Mark Ainsley als een fraai jaloerse Oronte. Een ander minder geslaagd puntje is de directie van Bolton, die niet alleen de solisten iets te veel aan hun lot overlaat, wat soms tot kleine oneffenheden leidt, maar die ook van het orkest meer enthousiasme had mogen vragen.

Giulio Cesare uit Kopenhagen

Op een nieuwe uitgave van Giulio Cesare zat ik niet te wachten, dat geef ik grif toe, maar nu deze er is, neemt hij meteen een heel eigen plaats in naast twee absolute toppers: de verfilming door Peter Sellars, onlangs door Universal-Duitsland opnieuw uitgebracht in de ook economisch aantrekkelijke serie '400 Jahre Oper', en de live-opname onder William Christie in de amusant-theatrale regie van David McVicar met de sprankelende Cleopatra van Daniele De Niese.

De nieuwe opname uit Kopenhagen, ontstaan in maart 2005, is opgebouwd rond de countertenor Andreas Scholl, voor wie deze productie een van zijn zeldzame optredens in het theater werd. Te zeldzaam, zeker voor een zanger van dit formaat, maar ook omdat het gebrek aan ervaring met het drama hem is aan te zien. Zijn spel bezit een groot naturel, maar Caesar zit psychologisch toch iets ingewikkelder in elkaar. Niet alleen historisch was hij een complexe persoonlijkheid, maar ook in de opera van Händel, en Scholl slaagt er onvoldoende in de diverse facetten daarvan zichtbaar te maken. Van de geslepen politicus uit Sellars' enscenering is hier weinig terug te vinden en evenmin is hij de militair van McVicar, die na een gewonnen oorlog even lekker de bloemetjes buiten wil zetten en en passant ook nog even het koninkrijk Egypte onder zijn persoonlijke invloed brengt. Scholl lijkt meer een Nederlandse minister van ontwikkelingssamenwerking, die braaf enige miljarden rondstrooit (alsof geld tot beschaving leidt...) en verder maar al te graag alles gelooft wat hij horen wil. Een zacht ei in de handen van een goede Cleopatra dus, maar eerlijk is eerlijk: Scholl speelt dat zachte ei wel overtuigend en ik denk dat een andere regisseur dan Francisco Negrin er zeker ook meer uit had kunnen halen.

Ondertussen staat de zang van Scholl op een uitzonderlijk hoogtepunt in de geschiedenis van de moderne Händel-vertolking. Dit is echt zeldzaam: een countertenor die een dergelijke partij - niet één aria maar een zware hoofdrol - van begin tot eind zingt met de techniek, de souplesse, de fraseringskunst en vooral de natuurlijkheid die Scholl hier tentoonspreidt. Puur muzikaal laat hij geen wens onvervuld, binnen het ietwat anachronistische concept van Julius Caesar als de romantische minnaar overtuigt hij ten volle, en als hij daaraan nog wat meer karakterverdieping had kunnen toevoegen, was zijn vertolking volmaakt geweest!

Helaas staan niet alle solisten op hetzelfde niveau. De sopraan Inger Dam-Jensen is een over het algemeen vrolijke, vlotte, maar misschien iets te rijpe Cleopatra, die vreemd genoeg zelf een beetje teleurstelt met een weinig etherisch 'Piangeró'. Händel laat daar de zanglijn boven zichzelf uitstijgen, maar deze Cleopatra blijft ondanks al haar verdriet toch met beide benen op de grond staan. Elders mist haar zang iets van de benodigde vocale sprankeling en klinken haar coloraturen mij niet geciseleerd genoeg. De vermaarde Egyptische koningen is muzikaal wellicht het meest driedimensionale karakter dat Händel geschapen heeft, maar dat komt hier niet helemaal tot uiting.

De countertenor Christopher Robson, gepokt en gemazeld in dit repertoire, bewijst daarentegen van hoeveel waarde bij een uitgave op dvd de theatrale uitbeelding kan zijn. Vocaal is hij over zijn hoogtepunt heen en ook de weinig dwingende hand van dirigent Mortenson maakt dat hij hier en daar een steekje laat vallen, maar zijn net niet te clowneske Tolomeo is van begin af aan zo amusant en ook dermate scherp getekend, dat iedere oneffenheid erbij in het niet valt. De in klank ietwat bleke Sesto van de sopraan Tuva Semmington komt als karakter eveneens goed uit de verf, maar de enige die werkelijk op alle punten overtuigt is de mezzosopraan Randi Stene. Haar Cornelia is zowel moederlijk als jong genoeg om haar heen in vuur en vlam te zetten, en haar zang paart een warme klank en een uitstekende afwerking aan grote intensiteit. Ook de krachtige Achilla van de bas Palle Knudson verdient trouwens vermelding, al was het maar door de manier waarop het drama impulsen weet te geven.

Het vuurwerk dat ik in de regie van Francisco Negrin mis, klinkt ook niet bepaald op uit het spel van het Concerto Copenhagen onder leiding van Lars Ulrik Mortensen. De bijzonder fraaie registratie en de uitstekende klank maakten echter dat deze Giulio Cesare mij wel op de punt van mijn stoel hield - zeker in de scènes met Andreas Scholl en Christopher Robson!

Recital Magdalena Kozená

Wie van Giulio Cesare overstapt naar het Händel-recital van Magdalena Kozená, snapt meteen wat het essentiële verschil is tussen een castraat en Andreas Scholl, of beter: tussen een castraatstem enerzijds en countertenors, sopranisten en altisten anderzijds. Kozená, die als eerlijke vrouwelijke mezzosopraan al haar registers ten volle kan benutten, demonstreert dat meteen al met een subliem gezongen 'castraat-aria' uit Alcina, openend met een messa di voce om je vingers bij af te likken. Maar daar gaat het niet om. Belangrijker is dat zij haar hele lichaam 'eronder' kan gooien, de klank bij wijze van spreken vanuit haar tenen kan opbouwen. Dat konden castraten ook (en door zowel de inbreuk op hun hormonale huishouding als acht jaar zang- en ademtraining) hadden die soms heel wat 'lichaam' om eronder te gooien, in het bijzonder een borstkas waarop menige hedendaagse beroepssporter jaloers kan zijn. En dat missen de hele en halve falsettisten te enen male. Bij hen blijft het behelpen en al kunnen we bij zangers als Scholl niet meer stellen dat de muziek gecastreerd wordt om deze pseudo-castraten eroverheen te laten komen, een echt 'uit volle borst' zingen is er bij hen niet bij. Maar wel bij Kozená! En hoe! Zij zeilt meteen al door haar openingsaria heen met een vocale superioriteit zoals we die zelden horen. Verrukkelijk! Een met de ragfijne, kleurrijke begeleidingen van het Venetiaans Barokorkest onder leiding van Andrea Marcon levert dat een cd op dit van begin tot eind een feest is.

Na vijf kwartier aria's van Händel met steeds dezelfde stem is het dan toch nog altijd een grote verrassing dat geen moment de eentonigheid of het gevoel van ínwisselbaarheid' heeft toegeslagen. Zoals de moderne regisseurs Händels opera's een nieuwe dramatische inhoud weten te geven, zo weten moderne solisten de afzonderlijke aria's te bezielen en het gevoel op te roepen dat driedimensionale  personages te doen hebt, ook als zo'n aria echt niet meer is dat de uiting van één enkel 'affect'. De hele cd door blijft Kozená daarbij een grootse zangkunst demonstreren met een fenomenale ademsteun, een maximum aan technische afwerking, gepolijste versieringen en daarbij ook nog eens de combinatie van grote muzikaliteit met een in iedere lettergreep doorwerkend tekstbegrip. In de laagte verliest zij soms aan klank (een echte mezzosopraan is nu eenmaal geen alt), maar afgaande op dit muzikaal portret zou je haar bij de allergrootsten scharen - en dan heb ik toch een kleine kanttekening. Zoals ik bij Anja Harteros steeds het gevoel heb dat zij in staat is je in het theater meer mee te geven dan op de cd, zo valt Kozená mij juist 'live' altijd een beetje tegen. Op de cd is haar stem een en al kern, klank en kleur, maar het lijkt of alle drie die elementen in de zaal aan kracht inboeten, soms een beetje, soms opvallend veel. Maar aan deze cd doet dat niets af. Het slot, ´Lascia ch´io piango´ uit Rinaldo, was niet alleen bloedmooi uitgevoerd, maar ik kon het ook meevoelen. Het vormde het einde van acht heerlijke uren met Händel en dat vond ik heel jammer. Dertig jaar geleden had ik dat niet kunnen vermoeden...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links