CD-recensie

Griezelopera van Gounod

 

©Paul Korenhof, juni 2010

 

 

Gounod: La Nonne sanglante.

Marco Vassali (Le Comte de Luddorf), Gennadijus Bergorulko (Le Baron de Moldaw), Yoonki Baek (Rodolphe), Natalia Atmanchuk (Agnès), Iris Marie Kotzian (Arthur), Frank Färber (Pierre L'Hermite), Eva Schneidereit (Agnès, la Nonne sanglante) e.a., koor en extrakoor van het Theater Osnabrück, Osnabrücker Symphonieorchester o.l.v. Hermann Bäumer.

CPO 777 388-2 (2 cd's)

Opname maart 2008


 

Ergens in Nedersaksen, aan de weg van Enschede naar Hannover, ligt Osnabrück, een stadje ter grootte van 'centraal' Leiden, maar wel een plaats met een typisch Duitse 'stadsgevoel'. Dat betekent dat Osnabrück niet alleen beschikt over een concertzaal en meerdere theaters, maar dat het voor de bespeling daarvan beschikt over een eigen orkest en een theatergezelschap dat zowel opera- als toneelvoorstellingen verzorgt. Kom daar eens om in Nederland, waar de centrale overheid - ingefluisterd door 'geëngageerde' critici en 'eigentijdse adviesorganen' - de afgelopen decennia constant bezig is geweest met bezuinigen en dus schrappen! Ook in Duitsland moet bezuinigd worden en ook daar heeft het culturele leven reeds menige veer moeten laten, maar dat gebeurt toch vanuit een andere mentaliteit. Bij ons heerst toch bij overheid en critici vaak een patroniserende en regulerende mentaliteit, waarbij aan de burger wordt voorgeschreven wat hij wel of niet te zien mag krijgen, een houding die aan het einde van de 20ste eeuw zelfs tot een leegloop van de schouwburgen heeft geleid.

In Duitsland getuigt de algemene houding ten opzichte van concert en theater niet alleen van een groter cultureel bewustzijn, maar ook van een grotere culturele belangstelling onder brede lagen van de bevolking. Zo valt mij bij ieder bezoek aan middelgrote steden als Aken, Bonn of Gelsenkirchen weer op, dat daar naar verhouding veel meer jeugd in het theater zit dan hier, en niet alleen jeugd-met-ouders, maar ook jongeren die kennelijk op basis van hun eigen belangstelling een voorstelling bezoeken. In het kleinere Osnabrück zal het niet anders zijn en als ik zie wat alleen al de Duitse Wikipedia over het culturele leven in dit stadje weet te vermelden, stijgt mij als Nederlander het schaamrood naar de kaken.

Opvallend is daarnaast dat de kleinere Duitse operatheaters regelmatig aandacht vragen voor een repertoire dat lange tijd in Duitsland niet bepaald hoog in aanzien heeft gestaan, namelijk het minder bekende Franse repertoire uit de 19de eeuw. Vooral onder invloed van het wagneriaanse muziekdrama golden de werken van componisten als Thomas, Gounod en Massenet bij onze oosterburen lange tijd als 'zoetelijk' en ' oppervlakkig', maar daarin lijkt verandering te komen. Zo kon het gebeuren dat de Opera van Osnabrück in 2008 - in navolging van het experimentele Théâtre des Cérises in Nantes - opeens La Nonne sanglante van Charles Gounod op het repertoire nam, nadat die partituur ruim anderhalve eeuw onder het stof had gelegen. En gelukkig was cpo zo alert om die uitvoering op cd te zetten, zodat ook operaliefhebbers elders in de wereld van dit werk kennis kunnen nemen.

Allereerst de feiten en die beginnen bij Hector Berlioz, die het libretto een jaar of vijf in zijn bezit had en zelfs delen van de eerste akte op muziek heeft gezet. Ook Halévy, Verdi en Meyerbeer kregen de tekst aangeboden, maar uiteindelijk was het Charles Gounod die er een afgeronde opera van maakte. Veel succes had hij er echter niet mee. Hij componeerde het werk in 1852-1853, maar na de generale repetitie op 18 oktober 1853 zou het nog precies een jaar duren eer het werk in de Parijse Opéra in première ging. Het publiek toonde zich enthousiast over de muziek, maar de pers bleek aanmerkelijk minder positief en de nieuwe directie liep er ook niet echt warm voor met als gevolg dat de opera na elf voorstellingen letterlijk en figuurlijk van het toneel verdween. Zelfs de Franse Opera in Den Haag, die over het algemeen toch getrouw volgde wat op de Parijse operatonelen te zien was, heeft het werk nooit op het repertoire genomen.

Ongetwijfeld zal menige moderne criticus - en zeker een Nederlandse - er geen been in zien om  La Nonne sanglante volledig belachelijk te maken als een mengeling van Romeo en Julia, Dinorah, Der Vampyr, Der fliegende Holländer en diverse andere opera's, en ik maak me sterk dat Eugène Scribe en zijn co-librettist Germain Delavigne voor het verhaal ijverig bij de toen populaire griezellectuur te rade zijn gegaan. Een feit is echter dat het werk evenzeer past in de romantische traditie als bijvoorbeeld Frankenstein van Mary Shelley, The Vampyre van Byron/Polidori en andere 'griezelverhalen', een genre dat tegenwoordig weer volop in de belangstelling staat.

La Nonne sanglante - Une histoire de famille peuplée de spectres ('De bloedende non - Een familiegeschiedenis bevolkt met geesten') speelt zich af rond 1100 in de buut van Praag. Twee families vechten een oude vete uit, onkundig van een liefdesband tussen Rodolphe, de zoon van het ene familiehoofd, en Agnès, de dochter van  diens aartsvijand. Als uiteindelijk de vrede bezegeld moet worden met een huwelijk, wordt Agnès echter gekoppeld aan de broer van Rodolphe, Theobald. De gelieven besluiten in het holst van de nacht te vluchten, maar door de duisternis heeft Rodolphe niet in de gaten dat de vrouw die hem die nacht benadert en aan wie hij daarna eeuwige trouw zweert, een geheel andere Agnès is. Het is de geest van een vrouw die ooit door haar geliefde gedood is en die nu als 'bloedende non' moet ronddolen totdat een man haar trouw zweert en haar wreekt. Rodolphe kan niet meer terug en ten overstaan van de verzamelde familiegeesten wordt hun verbintenis bekrachtigd, maar zijn positie wordt helemaal precair als hij verneemt dat de veroorzaker van deze ellende zijn eigen vader is en dat alleen diens dood zowel de geest van Agnès als hemzelf kan bevrijden.  

Hoe het dan verder gaat, is redelijk voorspelbaar, althans tot het vijfde bedrijf. Het lijkt erop dat de beide librettisten dan zo verward zijn geraakt in de door hen gecreëerde kluwen van verhaallijnen, thema's en motieven, dat zij besluiten er maar een eind aan te breien met een 'coup de théâtre' (boze vader komt plotseling tot inkeer). Meteen daarna valt het doek en het publiek moet zelf maar bedenken hoe het verder zou kunnen gaan met Rodolphe en de 'levende Agnès'. Tussen de bedrijven door wordt er natuurlijk druk gedanst, door geesten en door bruiloftsgasten, maar de conventies in de Parijse Opéra kennende heb ik sterk het vermoeden dat op dit punt in Osnabrück een fikse coupure in de tweede akte werd aangebracht. Begrijpelijk overigens. Ook nu duurt het werk al bijna tweeënhalf uur en een groot geestenballet in zo ongeveer de belangrijkste scène van een opera met een niet al te sterke partituur druist iets te sterk in tegen ons gevoel van drama.

Dat ook de critici in 1854 met zo'n drama moeite hadden, is niet onvoorstelbaar en eigenlijk moeten we grote waardering hebben voor Gounod, die dit alles van muziek heeft voorzien - en wat voor muziek! Psychologie en karaktertekening reiken niet ver (dat kon ook niet met zo'n tekst), maar op het punt van sfeertekening, kleuren, brede lijnen en fraaie melodische bogen trekt hij alles uit de kast wat men van de componist van Faust maar verwachten kan. Zijn stijl doet regelmatig meer aan Meyerbeer denken dan aan Faust of Mireille, en dat plaatst het werk min of meer tussen Roméo et Juliette en Robert le Diable. Niet verwonderlijk, maar het illustreert tevens waar het hier dramatisch mis gaat. Roméo et Juliette mist de finesses van Shakespeares drama, maar gaat wel over twee personages met wie de romantische luisteraar zich kan identificeren, al is het maar zolang de muziek duurt. Bij La Nonne sanglante is geen identificatie mogelijk, alleen maar het genieten van mooie muziek en fraaie zang, maar Gounod toont zich een vakman bij uitstek als het erom gaat ons daarin ter wille te zijn.

In de natuurlijk klinkende registratie van cpo profiteert de uitvoering vooral van een fraai spelend orkest, dat door chefdirigent Hermann Bäumer met merkbare geestdrift wordt voortgestuwd, waardoor met het tempo ook de spanning er redelijk in blijft. Daarbij valt op dat de solisten hoorbaar vóór het orkest staan, maar kennelijk is men voor de opname verhuisd van het theater naar de Stadthalle Osnabrück. Wel is vooral bij de heren duidelijk te horen dat er weinig sprake is van 'Franse scholing', maar gelukkig heeft de Koreaanse tenor Yoonki Baek ondanks een net iets te nasale en soms larmoyante klank wel het juiste karakter voor Rodolphe. Overtuigender zijn de drie dames: Natalia Atmanchuk als een mooi lyrische Agnès, de slank getimbreerde mezzospraan Eva Schneidereit als een uitstekend contrasterende 'Nonne sanglante' en de soubretteachtige Iris Marie Kotzian als een page die al doet denken aan Siebel in de zes jaar jongere Faust.

In het informatieve cd-boekje gaat regisseuse Carin Marquardt in op het ontstaan van de opera en verdedigt zij enkele artistieke keuzes. Zo werd een 'subplot', een idyllisch huwelijk van twee bijfiguren, aanzienlijk gereduceerd om de geschiedenis van Rodolphe constant in het centrum te kunnen houden en daardoor de dramatische lijn strakker te verstevigen. De originele partituur ken ik niet, maar evenals de vermoedelijke coupure in de balletmuziek lijkt ook dit mij een juiste beslissing.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links