CD-recensie

Gounod en de opéra-comique

 

© Paul Korenhof, november 2015

 

Gounod: La Colombe

Erin Morley (Sylvie), Javier Camarena (Horace), Michèle Losier (Mazet), Laurent Naouri (Maître Jean), The Hallé o.l.v. Mark Elder

Opera Rara ORC53 (2 cd's)

Opname: Manchester, juni 2015

   

De 'opéra-comique' leidde tot de jaren zestig van de vorige eeuw een bloeiend bestaan met aan de Parijse Place Boieldieu een eigen theater, maar tegenwoordig lijdt het genre onder miskenning en verwarring. Dat begint al met de naam die niets te maken heeft met ons begrip ´komisch´ in de betekenis van 'lachwekkend'. In het Frans en tot in de vorige eeuw ook in het Nederlands was comédie (meestal gespeld als comedie) immers de normale aanduiding voor 'toneel', 'schouwburg'. Niet voor niets heet het oudste Franse toneelgezelschap nog altijd Comédie Française en op de gevel van menige schouwburg prijkt de benaming 'Comédie', terwijl dan soms aan de andere kant van het plein een gebouw staat met de benaming 'Théâtre Lyrique', de oude benaming voor operatheater. Nederlandse equivalenten vinden we nog in 'De Kleine Komedie' voor het uit 1786 daterende Théâtre Français in Amsterdam, en in de in België nog steeds gangbare aanduiding 'lyrisch toneel' voor 'opera'. En als in romans van Louis Couperus de personages 'naar de comedie' gaan, betekent dat gewoon dat zij naar de schouwburg gaan. Trouwens: zelfs in modern Nederlands betekent 'komedie spelen' niets anders dan 'toneel spelen'. *)

De oudste vermelding van de term 'opéra-comique' dateert uit 1712, toen op de Parijse Foire Saint-Germain een 'troupe' neerstreek met de naam Nouvel Opéra Comique de Baxter et Saurin, een reizend gezelschap met een repertoire van luchtig toneel en zangnummers. Er was echter één probleem, want beducht voor concurrentie hadden de Parijse toneelgezelschappen van het stadsbestuur gedaan gekregen dat op dat moment in de Foire-theaters een spreek- en zangverbod heerste. Van de nood werd toen een deugd gemaakt. De gesproken dialogen werden omgezet in pantomime en zodra het orkest inzette, hielden de acteurs grote kaarten omhoog met daarop de tekst van hun liederen. Omdat de melodieën makkelijk in het gehoor lagen of zelfs algemeen bekend waren (het was de tijd van de vaudeville), nam het publiek met groeiend enthousiasme zelf de zang voor zijn rekening, wat natuurlijk de populariteit van deze voorstellingen alleen maar vergrootte.

Definitieve splitsing
Het gevolg was voorspelbaar: de 'forains' kregen weer vergunning zelf hun teksten te brengen en in 1714 werd de benaming 'opéra-comique' officieel erkend ter aanduiding van deze vorm van muziekthea­ter die gesproken dialogen en zang combineerde. Dit had weer tot gevolg dat nu ook het Parijse operatheater, de Académie de la Musique et de la Danse, zich bedreigd voelde en zich aansloot bij de andere protesterende gezelschappen. Een nieuwe periode van verbieden en weer toestaan was het gevolg, maar het Parijse publiek liet zich de nieuwe kunstvorm niet meer ontnemen en na enkele decennia van touwtrekken won het Foire-theater de strijd.
De première van La Fileuse van Jean-Joseph Vadé op 3 februari 1752 markeert het moment waarop de Opéra-Comique voorgoed de status van kermisattractie was ont­groeid. De concurrentie met de Académie ('de grote Opéra') duurde voort, maar nu volgens nauwkeurig omschreven spelregels die aan beide instellingen een eigen repertoire toekenden. De Opéra speelde klassieke tragedies waarin uitsluitend gezongen en gedanst werd, terwijl de Opéra-Comique zich ont­fermde over werken met een merendeels luchtiger karakter voor een breder publiek. Essentieel was echter niet de inhoud, maar het feit dat die werken een combinatie moesten vormen van muziek, zang en gesproken dialogen. En zoals ballet verboden was in de Opéra-Comique, zo waren gesproken dialogen taboe in de Opéra.

Concurrentie
Natuurlijk hadden de werkjes die op de Foire Saint-Germain werden gespeeld, een sterk amusementskarakter, maar toen de opéra-comique officieel zich uiteindelijk vestigde in de Salle Favart, later bekend als 'de Opéra-Comique', kwam ook daarin verandering. Enerzijds gebeurde dat onder invloed van de concurrentie met de nabijgelegen 'Opéra, anderzijds ook onder invloed van de Franse theatertraditie die in feite geen strenge scheiding tussen 'toneel' en 'opera' toelaat, en die ook meer tekstgericht was dan de Italiaanse opera.
Het samengaan van gesproken woord en zang, inherent aan het Franse theater uit die tijd, leidde bijvoorbeeld tot een populair subgenre als de 'comédie mêlée d'ariettes'. Dit toneel waarbij de dialogen vloeiend overgingen in een groot aantal korte aria's, was geschreven voor doorgewinterde acteurs met een volwaardige zangopleiding en die theatervorm werkt in de 19de eeuw nog door in het werk van Eugène Labiche, wiens theaterteksten op het eerste gezicht meer weg hebben van musicals dan van toneelstukken.

Offenbach
Dat alles leidde ertoe dat de opéra-comique zich langzaam verwijderde van haar oorsprong als 'kermisvermaak' en uitgroeide tot een volwaardige concurrent van de Opéra, maar wel met een repertoire waarin de combinatie van muziek en gesproken woord essentieel was. Daarmee werd de basis gelegd voor omvangrijker en ook meer serieuze werken als Manon, Mignon en Carmen, maar bij het Parijse publiek bleef behoefte bestaan aan muzikaal amusement van het 'populaire' soort dat het op de Foires gewend was. Offenbach speelde daar met succes op in met een reeks korte 'opérettes' voor slechts enkele acteur-zangers en een klein orkest die hij opvoerde in zijn eigen theatertje, de Bouffes Parisiennes. Ook in de Opéra Comique en onder meer in het door Léon Carvalho geleide Théâtre Lyrique, werden echter regelmatig opéras-comiques van kleinere omvang opgevoerd, meestal twee of drie op één avond, en zo ontstond nog tot ver in de tweede helft van de 19de eeuw een reeks van dat soort werkjes, geschreven door componisten van naam als Georges Bizet, Ambroise Thomas en Charles Gounod.

La Colombe
Tot de leukste en muzikaal de meest bevredigende behoort La Colombe (De duif), een werkje van nog geen anderhalf uur in twee bedrijven uit 1860 van Charles Gounod. Voor de tekst tekende het trouwe duo Jules Barbier en Michel Carré, ervaren toneelschrijvers die over het algemeen hun libretti meer samenhang wisten te verlenen dan in de opéra-comique gebruikelijk is. Het verhaaltje over twee mensen die elkaar vinden dankzij een duif die eerst wel en dan toch niet opgegeten wordt, heeft natuurlijk niets om het lijf, maar in structuur, afwisseling en tekening van de personages steekt hun tekst beslist uit boven het gemiddelde niveau in dit genre. Belangrijker is dat de teksten voor de dertien muzieknummers Gounod alle kans boden zijn talenten te tonen in pakkende muzikale karakteriseringen, levendige melodieën en kundige instrumentaties die bovendien de tekst ruim baan gaven.

Wie meer wil weten over het ontstaan van La Colombe, verwijs ik naar de toelichting in het cd-boekje bij de voortreffelijk verzorgde uitgave van Opera Rara en wie het operaatje zelf wil horen, kan zijn hart ophalen aan de cd's met de eerste absoluut complete opname die ooit van dit werkje verschenen is. Niet alleen het Italiaanse bel canto uit de 19de eeuw is bij het Engelse label in uitstekende handen, ook het verwaarloosde Franse repertoire krijgt tegenwoordig ruimschoots aandacht en hoewel niet alle uitvoerenden Franstalig zijn, blijkt dat geen bezwaar om ook een opéra-comique met alle dialogen vast te leggen.
De grote verrassing op dit punt vormt Erin Morley, een Amerikaanse sopraan met een solide coloratuurtechniek en die alleen in haar timbre iets mist van de typisch Franse puntigheid. In stijl en tekstbehandeling (ook de dialogen) klinkt zij echter zo 'Frans', dat ik mij niet kan voorstellen dat dit helemaal aan de aangetrokken taalcoach te danken is. Op dat punt wint zij het duidelijk van de Mexicaanse tenor Javier Camarena die verder in zijn zang een betrouwbaar maar ook een enigszins onpersoonlijk aandeel levert.
Dat laatste kan beslist niet gezegd worden van Michèle Losier, een jonge Franse mezzosopraan met dat specifieke, lichte timbre dat haar lijkt te maken tot een zangeres van het soort dat Carmen en Charlotte kan combineren met sopraanpartijen. Of het ooit zover komt, moeten we afwachten, maar in de travestierol van Mazet steelt zij hier al in de openingsscène de show met een gloedvol gezongen romance die zij later laat volgen door een heerlijke filippica tegen de vrouwen. In haar eerste dialoog wordt de sfeer mede gezet door de ervaren Laurent Naouri, die in dit juweeltje van Gounod een pracht van een karakterrol neerzet als de majordomo die uiteindelijk in plaats van de duif waar alles om draait, een concurrerende papagaai in de braadpan doet belanden.

Dat dirigent Mark Elder zich in het Franse repertoire in zijn element voelt, bewees hij enkele maanden geleden in extenso met Berlioz' Benvenuto Cellini bij De Nationale Opera. Hier horen we hem op kleinere schaal met het Hallé-orkest en het resultaat is een overtuigend pleidooi voor een genre dat helaas te vaak verwaarloosd en miskend wordt.

 

________________________
*) De naam 'De Kleine Komedie' dateert uit 1947. Het feit dat in hetzelfde jaar Walter Felsenstein voor het theater aan de Berlijnse Behrenstrasse de naam 'Komische Oper' koos, lijkt erop te duiden dat ook toen de woorden 'komisch' en 'komedie' in de Europese theaterwereld nog steeds werden geassocieerd met de oude Franse betekenis.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links