CD-recensie

 

© Paul Korenhof, februari 2011

 

 

Giordano: Fedora

Angela Gheorghiu (Fedora Romazov),
Plácido Domingo (Loris Ipanov), Nino Machaidze (Olga Sukarev), Fabio Maria Capitanucci (De Siriex), Marina Comparato (Dimitri), Giuseppe Scorsin (Grech) e.a., Koor en orkest van de Muntschouwburg Brussel o.l.v. Alberto Veronesi

DG 477 8367 (2 cd's)

Opname: januari 2008


Heb ik een zwak voor Adriana Lecouvreur en Fedora omdat de muziek voor mij onlosmakelijk verbonden is met de herinnering aan Magda Olivero op haar allergrootst, of zijn het toch goede opera's? Ik neig naar het eerste, hoewel ik over de partituren van respectievelijk Francesco Cilea en Umberto Giordano aanzienlijk minder negatief ben dan sommige andere moderne critici. Sterker nog: wat er vanuit modern musicologisch standpunt ook op de partituren aan te merken valt, het zijn wel degelijk goede opera's, niet omdat zij muzikaal zo sterk zijn, maar omdat zij effectief zijn in het theater, zeker bij een goede uitvoering, en dat is toch waar het bij een opera om gaat. In het theater heb je nu eenmaal weinig aan een ijzersterke partituur met weinig dramatische zeggingskracht. Zo'n werk is leuk voor musicologen en muziekliefhebbers, maar het hoort thuis in de concertzaal en niet in het theater. Dan liever de voorspelbare harmonieën, de pathetische melodische opbouw en de op directe sentimenten gerichte effecten van Fedora, zelfs als in de laatste akte ondanks een paar mooie sfeermomenten de vindingrijkheid van de componist het een beetje laat afweten.

In het theater zowel als bij een opname is voor het welslagen van Fedora eigenlijk maar één punt belangrijk: hoeveel vocale persoonlijkheid heeft de vertolkster van de hoofdrol. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was het een glansrol van Magda Olivero, die met haar individuele timbre, haar snelle vibrato, haar uitgesponnen pianissimo's en vooral haar enorme persoonlijkheid vanaf haar eerste noot de hele opera beheerste. Ook Callas moet er indrukwekkend in zijn geweest, maar helaas schijnt er van haar enige reeks voorstellingen (Scala 1956), geen maat bewaard te zijn. Tebaldi zong de rol prachtig, maar haalde het vereiste niveau niet en waarom Mirella Freni er daarna zoveel succes mee had, heb ik nooit kunnen begrijpen.

Dat Angela Gheorghiu behalve een van de beste zangeressen van dit moment ook een fascinerende theaterpersoonlijkheid is, heeft zij de afgelopen twintig jaar ruimschoots bewezen. Haar liefde voor het veristische repertoire is ook algemeen bekend en zij demonstreerde die heel bijzonder door haar pogingen internationaal Puccini's La rondine op de agenda te plaatsen.
Toen zij kort geleden met groot succes in Londen Adriana Lecouvreur aan haar repertoire toevoegde, trof mij in haar vertolking de overeenkomst met die van Olivero, maar dat was logisch. Een zangeres die zich met deze opera bezig houdt, kan moeilijk om de legendarische Italiaanse sopraan heen. Nog opvallender zijn de overeenkomsten tussen de Fedora die Gheorghiu in januari 2008 in Brussel opnam en de diverse registraties van Olivero in deze opera. De Roemeense sopraan heeft kennelijk bijzonder goed naar haar voorgangster geluisterd, maar zij heeft voldoende karakter om ondanks alle gelijkenissen tot het einde toe met haar eigen vertolking te overtuigen. Gelukkig maar, want uiteindelijk wint Olivero op punten, om het zo maar uit te drukken, en die punten zijn dan vooral de intensiteit van enkele climaxen, haar unieke pp-hoogte en de geladen dramatiek in haar grote emotionele uitbarsting halverwege de tweede akte.
Het grote verschil tussen beide zangeressen openbaart zich in de laatste akte, waar Olivero erin slaagde op hartverscheurende wijze haar onderhuidse wroeging en haar groeiende wanhoop hoorbaar te maken. Hier overtuigt Gheorghiu minder, maar zij is gelukkig verstandig genoeg om niet haar toevlucht te nemen tot een holle Olivero-imitatie en daardoor houdt zij mijn sympathie. Bovendien heeft zij toch een beetje de pech dat zij het moet opnemen tegen Domingo, die hier alle dramatische registers opentrekt.

Hoewel de opname werd uitgebracht in een reeks die de 70ste verjaardag van Plácido Domingo luister moet bijzetten, zou het mij niet verbazen als de rol van Loris Ipanov eigenlijk bedoeld was voor Roberto Alagna, tot twee jaar geleden de echtgenoot en vaak ook de artistieke partner van Gheorghiu. Hoe het ook zij, Domingo zet hier op zijn 68ste nog altijd een indrukwekkende Loris neer. In de tweede akte is hij vocaal niet meer zo overtuigend als in de video-opname met Freni uit de Scala uit 1993, maar in de derde akte grijpt hij alle kansen die de muziek hem biedt.
Aantrekkelijk voor de liefhebber van het verismo is verder dat in deze opname links en rechts wat coupures geopend werden. Het blijft met nog geen honderd minuten een korte opera, maar het leverde de Nino Machaidze in de ondankbare rol van Olga Sukarov wel twee extra momenten op, waarvan zij dankbaar gebruik weet te maken: een filippica tegen de Franse mannen in de tweede akte als tegenhanger tegen 'Le donne Russe' van De Siriex en een kleine solo in de openingsscène van de derde akte. Van de bariton Fabio Maria Capitanucci ben ik minder onder de indruk. Niet alleen heeft hij een dunne droge stem die geen moment weet te boeien, maar daarmee geeft hij ook nog eens potje ouderwets acteerwerk weg, dat meer past in de Italiaanse provincie dan op een cd van een gerenommeerd label.

De bezetting van de kleinere rollen bezit gelukkig een hoog 'italianità-gehalte', wat vooral voor de eerste akte belangrijk is, maar van dirigent Alberto Veronesi gaat helaas minder sfeer uit. Meer hartstocht en meer precisie hadden een meeslepender resultaat kunnen opleveren, zeker als het orkest in de opname meer 'body' had gekregen. Nu lijkt het er toch op alsof de stemmen bewust op de voorgrond zijn geplaatst en alsof de Brusselse musici weinig meer mogen doen dan begeleiden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links