CD-recensie

 

© Paul Korenhof, december 2009

 

 

Donizetti: Parisina (ook: Parisina d'Este).

Carmen Giannattasio (Parisina), Josť Bros (Ugo), Dario Solari (Azzo), Nicola Ulivieri (Ernesto), Ann Taylor (Imelda), Geoffrey Mitchell Choir, London Philharmonic Orchestra o.l.v. David Parry.

Opera Rara ORC40 (3 cd's)

Opname: december 2008


Onder Donizetti-bewonderaars bezit Parisina een bijna mystieke status. Geschreven in 1833, in de periode tussen Anna Bolena en Lucia di Lammermoor en kort na L'elisir d'amore, stamt de partituur uit de interessantste periode in de ontwikkeling van de componist, die bovendien zelf een groot zwak voor deze partituur heeft gekoesterd. Bij het grote publiek sloeg het werk echter nooit aan, zelfs niet toen halverwege de vorige eeuw de Donizetti-renaissance op gang kwam. Afgezien van Montserrat Caballť hebben de grote sopranen zich ook nauwelijks om het werk bekommerd en het aantal opnamen bleef dan ook beperkt tot enkele live-registraties. De belangrijkste zijn twee concertante uitvoeringen, beide met de nodige coupures: Caballť zelf zong de titelrol in 1974 met het Opera Orchestra of New York onder Eve Queler en de Zwitserse radio legde de oper in 1997 vast in Lausanne met Alexandrina Pendatchanska.

Ook in Donizetti's eigen tijd viel het werk geen onverdeeld enthousiasme ten deel en zelfs beschuldigden enkele critici de componist ervan dat hij zijn solisten in dit werk liet 'schreeuwen'. In een uitgebreid artikel dat in november 2008 in het Engelse maandblad OPERA verscheen, geeft Roger Parker als mogelijke verklaring dat de componist in deze partituur voor zijn tijdgenoten 'te modern' was. Zijn muziek bezat een dramatiek die niet appelleerde aan oren die nog helemaal 'rossiniaans' en 'belliniaans' waren ingesteld, en inderdaad, wie aandachtig luistert naar de opname die Opera Rara maakte in vervolg op een concertante uitvoering op 6 december 2008 in de Royal Festival Hall, moet toegeven dat Verdi in de uitwerking van de vocale lijnen hier dichterbij lijkt dan in een van Donizetti's andere grote werken. Dat geldt niet alleen voor de ritmiek en de accentueringen, maar ook voor de tessitura van de drie hoofdrollen. Parisina zou een zusje van Luisa Miller kunnen zijn, haar geliefde Ugo komt in de buurt van Arrigo in La battaglia di Legnano en zijn vader Azzo, de echtgenoot van Parisina, is zowaar een voorloper van de echte Verdi-bariton. Ook dramatisch is het werk 'verdiaans' met een driehoeksverhouding die aan Don Carlos doet denken, waar nog eens bij komt dat beide leden van het half incestueuze liefdespaar Parisina-Ugo minder morele problemen met hun relatie hadden dan door Donizetti's tijdgenoten op prijs werd gesteld.

Donizetti schreef Parisina voor een bijzonder drietal: de Oostenrijkse sopraan Caroline Ungher, een soort Leyla Gencer met een grote faam als zingende actrice, de Franse tenor Gilbert Duprez die in die jaren bezig was met zijn omschakeling van virtuoze Rossini-tenor naar de meer dramatisch georiŽnteerde zanger en die bovendien de geschiedenis zou ingaan als de uitvinder van de 'do di petto', de uit volle borst geworden 'hoge c' (een vocale 'vergroving' die Rossini hem overigens bijzonder kwalijk nam), terwijl de voormalige bas Domenico Cosselli zich hand ontwikkeld tot een zanger met de combinatie van het bronzen timbre en de hoogte die later kenmerkend zouden worden voor de 'Verdi-bariton'.

Voor de ideale bezetting kan ik me zowel een dramatische coloratuursopraan van het type Leyla Gencer als een meer lyrische zangeres als Anna Moffo voorstellen, Ugo met zijn hoge D's en zijn combinatie van rossiniaanse en verdiaanse trekjes zou ideaal geweest zijn voor Franco Bonisolli, terwijl ik alleen nog maar kan dromen van een zanger als Ettore Bastianini als Azzo. Zo'n solistenteam heeft Opera Rara natuurlijk niet op de been kunnen brengen - het bestaat momenteel gewoon niet. Josť Bros is een ietwat lichte, brave tenor met veel stijlgevoel die niet alle topnoten riskeert, maar zoiets zou Donizetti zelf ook niet geŽist hebben; zijn eigen uitgangspunt was immers dat een partituur aan de solisten moest worden aangepast. De bariton Dario Solari is een betrouwbare zij het ietwat kleurloze Azzo en gelijksoortige kwalificaties kunnen gebruikt worden voor de bas Nicola Ulivieri als Ernesto, een rol zonder opvallende solo maar wel geschreven voor een stevige belcantobas.

Met groeiende belangstelling luisterde ik naar de titelrol van de nog jonge Italiaanse sopraan Carmen Giannattasio (debuut 2002), die haar rol op korte termijn overnam van Patrizia Ciofi nadat deze zich om 'persoonlijke redenen' had teruggetrokken. Technisch komt Giannattasio met Donizetti's partituur uitstekend weg, haar warme lyrische timbre komt iets zwaarder over dan dat van Moffo, terwijl haar gevoel voor drama bij vlagen doet denken aan dat van Gencer. Met andere woorden: na het wegvallen van Ciofi is een uitstekende 'noodgreep' gedaan, die het belang van deze uitgave zeker alleen maar verhoogt.

Dankzij de steun van de Peter Moores Foundation hoeft Opera Rara niet echt te bezuinigen op koor en orkest; op dat punt heb ik minder bevredigende uitvoeringen van Donizetti-opera's gehoord, terwijl ook de opname aan hoge eisen voldoet. David Parry, al jaren het artistieke centrum in de catalogus van dit label, toont zich zowel in zijn aanpak van koor en orkest als in de coaching van de solisten stijlbewust als altijd, maar iets meer dramatische accenten zouden geen kwaad kunnen. Verder is de uitgave het zoveelste juweeltje van presentatie: een mooie doos, fraai verpakte cd's en een bijna 160 bladzijden dik boekwerk met naast het libretto en talloze illustraties natuurlijk weer een schat aan informatie over het werk. Alleen zou ik me wel kunnen voorstellen dat kopers af en toe ook weleens iets zouden willen lezen over de solisten.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links